'Het is een kwestie van frapper, frapper toujours'

Klassiek archeoloog en hoogleraar Herman Brijder (61) neemt vandaag na twintig jaar afscheid van het Allard Pierson Museum. 'Al die controverses over de handel in oudheden hebben ook voordelen.'

Herman Brijder Foto NRC Handelsblad, Maurice Boyer Hr. Breider Allard Pierson Museum Foto NRC H'Blad, Maurice Boyer 060330 Boyer, Maurice

Herman Brijder is, zegt hij zelf, een specialist van de oude stempel: al ruim dertig jaar houdt hij zich bezig met Griekse vazen en schalen uit de 6e eeuw v.Chr. die met zwarte figuren beschilderd zijn. (Er zijn ook vazen en schalen die met rode figuren zijn beschilderd, maar dat is een héél andere discipline). 'Ik ben de enige expert op dit gebied ter wereld.' Maar de tijden van de specialisten zijn, zegt hij, voorbij. Vandaag neemt Brijder afscheid van het Allard Pierson, het archeologisch museum van de Universiteit van Amsterdam. Hij wordt opgevolgd door Vladimir Stissi.

In 1986 werd Brijder hoogleraar klassieke archeologie, en daarmee automatisch directeur van het Allard Pierson. Hij beschouwde het als zijn missie om het publiek zijn museum binnen te halen - jaren voordat de staatssecretaris van cultuur daar een politiek thema van maakte. 'In mijn jaren als directeur heb ik 46 tentoonstellingen georganiseerd en veel grote stukken aangekocht. In 1994 is het ook gelukt er eindelijk een aparte vleugel voor de exposities bij te krijgen. Het is een kwestie van frapper, frapper toujours. Ik probeerde altijd spectaculaire stukken binnen te halen, dus dat waren vaak financieel risicovolle ondernemingen.'

Zijn succesvolste tentoonstelling was die over de Etrusken in 1990, die 85.000 bezoekers trok. Ook zijn laatste tentoonstelling, over kleur in de oudheid, werd met 40.000 bezoekers goed bezocht. 'Voor veel mensen was het een verrassing om te zien hoe kakelbont de beelden waren die wij vooral als spierwitte marmeren beelden kennen. Er zijn mensen boos om geworden, omdat ze hun voorstelling van de klassieke oudheid moesten bijstellen. Prima.'

Het Allard Pierson is in 1934 gesticht, met als kern de particuliere verzameling van de bankier Lunsingh Scheurleer. Het zat 42 jaar lang 'tijdelijk' in een oud schoolgebouw. In 1976 verhuisde het naar het imposante pand aan de Turfmarkt, ooit het onderkomen van De Nederlandsche Bank. Toen het museum erin trok lagen beneden in de hal nog de rails waarop de wagons met goudstaven naar de kluizen reden. Brijder - van 1986 tot 2001 directeur, van 2001 tot nu wetenschappelijk directeur naast Robert Lunsingh Scheurleer als algemeen directeur - heeft zijn kamer in de voormalige bibliotheek, een stemmig vertrek met lambrizering, paars rookglas voor de boekenkasten en beeldschone glas-in-lood ramen. In een vitrine in de hal staat de nieuwste aanwinst, door een gulle geefster op de Tefaf gekocht en langdurig in bruikleen gegeven aan het Allard Pierson: een hydria (waterkruik) uit zijn geliefde de 6e eeuw v.Chr. Er staat een uitgebreide voorstelling op geschilderd van een bruidsstoet in een wagen met vierspan en Herakles die met een leeuw vecht, geholpen door zijn neefje die de leeuw bij zijn staart grijpt. Brijder maakt zich geen zorgen dat de hydria moet worden teruggegeven, zoals het Metropolitan Museum in New York binnenkort een krater, een mengvat van wijn en water, van de pottenbakker/schilder Euphronios moet teruggeven. Het Allard Pierson heeft geen claims gekregen van landen die hun erfgoed terugeisen. 'Wij letten zeer goed op de herkomst.'

De controverses rond de handel in oudheden hebben een groot nadeel: het aanbod van Grieks aardewerk is teruggelopen tot een derde, zelfs een vijfde van wat het tien jaar geleden was, zegt Brijder. 'Daar staat tegenover dat de landen die nu hun erfgoed opeisen - Griekenland, Turkije en vooral Italië - nu bereid zijn in ruil daarvoor andere stukken in langdurig bruikleen af te staan. Dat kon tot nu toe nooit. Musea hebben daar profijt van, je moet het publiek steeds iets nieuws kunnen laten zien. Anders is de collectie af, en daarmee ook een beetje dood.'

De Elgin Marbles moeten terug, vindt Brijder, net als andere stukken die onlosmakelijk deel uitmaken van een architectonisch geheel. 'Het is toch idioot dat er op de Akropolis kopieën staan terwijl de originele in Londen zijn? En dat de poort van de marktplaats van Milete in Berlijn staat? Dat is heel wat anders dan vazen en kruiken, die toen al over het Middellandse Zee-gebied werden verspreid.'

In de hal beneden staat keizer Augustus in een krat, na zijn tocht langs onder andere München en Amsterdam, klaar voor verscheping naar Istanbul en later naar het Metropolitan. Kleurig is hij zeker, maar het bevalt Brijder niks. 'Zijn kuras hoort verguld te zijn en zijn huid niet wit, maar bruin.' Met zijn gestifte lippen maakt Augustus nu een uitgesproken nichterig indruk, vindt de scheidende hoogleraar. 'En zo was het niet.'

    • Tracy Metz