Het eerste maaien in het voorjaar, dat is zo mooi

Bij Gosse van der Molen, boer in het Friese gehucht Tjerkgaast, werd drie jaar geleden prostaatkanker vastgesteld. Van der Molen wil wel praten over het naderende einde, maar liever zwijgt hij. 'Ik denk dat het net zo zal zijn als met slapen, de tijd is weg.'

Gosse van der Molen en zijn vrouw Ietsje op hun Friese boerderij. ‘Ze hebben nog niet tegen me gezegd dat ze niets meer voor me kunnen doen. Maar ik heb wel in de gaten dat ik geen tachtig zal worden’ Foto Sake Elzinga Nederland - Tjerkgaast - Friesland - 29-03-2006 Dhr. en Mevr. van de Molen aan de keukentafel. Dhr. van de Molen heeft prostaatkanker en wordt er voor bestraald. Foto: Sake Elzinga Elzinga, Sake

Het is maart, maar het is geen voorjaar. De weilanden rond de boerderij van Gosse van der Molen en Ietsje van der Molen-Holtrop zijn wit van de kou. De koeien zullen voorlopig op stal moeten blijven. Op het erf: een grote waakhond. Er is hier nooit ingebroken, maar in de boerderijen dichter bij het dorp wel. Mensen uit Lelystad, Almere. Ze nemen de A6 naar het noorden, ze zijn zo bij Tjerkgaast - een paar huizen rond een middeleeuws kerkje, op een zandwal uit de laatste ijstijd.

Gosse en Ietsje van der Molen zitten aan de keukentafel. Zij: een kleine vrouw met een zacht gezicht. Hij: afwachtend, argwanend. Drie jaar geleden werd bij hem prostaatkanker vastgesteld, met uitzaaiingen in de lymfeklieren en de botten. Het gesprek zal over zijn leven gaan en het naderende einde daarvan, hij heeft er zelf mee ingestemd. Maar liever zwijgt hij en kijkt hij naar buiten.

Er is koffie met Friese koek.

Zijn vader was ook boer. Die begon in 1938 met tweeëntwintig koeien op vijftien hectare grond, in het dorp Oldetrijne, vlak boven Overijssel. Een jaar later werd Gosse van de Molen geboren. Mensen uit Oldetrijne zijn voor een Fries geen echte Friezen. Ze praten ook geen Fries, maar Weststellingwerfs. Zelf zegt Gosse van der Molen dat hij krom praat.

Met deze mededelingen begint hij zijn verhaal. Dan zegt hij: 'Mijn vader heeft zich van het leven beroofd.'

'Ja', zegt zijn vrouw. 'Toen was hij 51.'

Gosse van der Molen: 'Hij was zwaar depressief.'

'Ja', zegt zij. 'Zo is het.'

Hij: 'Ik zeg het zoals het is.'

Zij: 'Nu praat je erover. Vroeger nooit.'

Hij: 'Ik was 22. We waren met vier kinderen, ik was de oudste. Geen een had verwacht dat-ie het zou doen. Hij was bang voor de dood. Zelfs de dokter had het niet verwacht. Ik was op een avond van de muziekvereniging. Er werd gebeld. Toen hoorde ik dat hij zich had verhangen.'

Zij: 'Hij was altijd bang dat hij wat had. Was hij aan het melken, ging hij zo opeens naar huis. Was-ie niet goed.'

Hij: 'Vanaf mijn dertiende, veertiende deed ik het meeste werk. Want mijn vader - dan was-ie er wel en dan was-ie er niet. Soms deed hij dagen niks. Hij kon niet aarden. Hij was alleen goed als hij op de motor weg was.'

Zij: 'Met je zusje.'

Hij: 'Ging hij met haar een rondje rijden. Mijn vader was geen boer in hart en nieren. Hij ging nooit naar tentoonstellingen of zo. We hadden een onnozel boerderijtje. Plannen om groter te worden had hij genoeg. Maar het kwam er nooit van.'

Zij: 'Je moeder was een lieve, flinke vrouw. Anders had ze het nooit gered.'

Hij: 'Ze leed eronder. Ze mocht nooit wat. Maar je hoorde haar er niet over. Nieuwe kleren? Had ze niet nodig.'

Zij: 'Ze zei dat ze ze niet nodig had.'

Hij: 'Of ze verdrietig was na zijn dood, weet ik niet. Ze liet het niet merken. We hadden het er niet meer over. Er waren drie jongere kinderen. Er moest gemolken worden.'

Zij: 'Ik ben toen bij jullie in huis gekomen. We waren al verloofd.'

Hij: 'En toen kreeg mijn moeder longkanker.'

Zij: 'Dat was een paar jaar later. Onze Geert was net geboren. In 1966.'

Hij: 'Ze had nooit gerookt, toch kreeg ze longkanker. Ik had een gesprek met de arts, over vroeger en over mijn vader. Hij zei: misschien heeft dat er wel mee te maken. Het zal wel. Maar ik geloof het niet. Het kon net zo goed toeval zijn.'

Zij: 'Iedereen heeft wel eens stress.'

Hij: 'Dat zeg ik. Het was toeval.'

Stilte.

Ietsje van der Molen staat op om eten te gaan koken, voor tussen de middag. Boerenkool met worst. Hun zoon Geert zal straks van het land komen. Hij doet al het werk, nu zijn vader ziek is. Hij woont ook op de boerderij, zonder vrouw. 'Hij heeft er geen kunnen vinden', zegt Gosse van der Molen. 'Hij zegt dat hij er geen behoefte aan heeft.'

Wilde Gosse van der Molen boer worden?

Hij: 'De schoolmeester zei dat ik anders niet geschikt was dan voor dat. Dus ging ik naar de landbouwschool. Als ik het nu moest doen, deed ik het misschien niet. Maar toen wou ik het wel.'

Zij: 'Als je het over kon doen, dan was je vrachtwagenchauffeur geworden.'

Hij: 'Net wat mijn vader ook had gewild. Reizen. Weggaan.'

Wilde Ietsje van der Molen boerin worden?

'Hij was boer, dus je vraagt je niet af of je boerin wilt worden. Voor die tijd was ik thuis, mijn moeder kon me niet missen. Ze had maagzweren. Nu krijg je er medicijnen voor. Toen moest je liggen.'

Hij: 'Ik zag haar op een feestje in Oldetrijne.' Hij kijkt naar zijn vrouw en lacht. 'Het was meteen mis.'

Zij lacht ook. 'Een volksfeest in een tent, met een toneelstuk. Van het een kwam het ander. Was het nou in 1958 of in 1959?'

Hij: 'Het was in het droge jaar.'

Zij: 'We zijn in 1960 verloofd, dat weet ik wel.'

Hij: 'We zouden in mei 1963 trouwen, maar het werd november 1962. We moesten trouwen.'

Zij: 'Dat was in die strenge winter.'

Hij: 'Je moeder was blij, ze dacht dat je geen kinderen kon krijgen.'

Zij: 'Ik had het aan mijn nieren gehad. Ik was eigenlijk ook wel blij dat het gelukt was.'

Hij: 'We zijn met nul komma nul begonnen. Maar in 1968 konden we de boerderij van mijn moeder kopen. En daarna heb ik een grotere boerderij gekocht, ook in Oldetrijne. Vijfentwintig hectare, veertig koeien. Toen kwam de ruilverkaveling, in 1971. Ik heb de hele zaak opgedoekt en samen met een kameraad heb ik een splinternieuwe boerderij gebouwd. Tachtig hectare. Het liep helemaal uit de klauwen. We wilden allebei de baas zijn. Mijn kameraad werd ziek, en toen moest ik zijn deel van de boerderij kopen. Dat kon ik niet. Toen is alles is verkocht. Daarom wonen we nu in Tjerkgaast.'

Zij: 'Voor hem was dat een hele stap.'

Hij: 'Een boer verlaat niet graag zijn geboortegrond. Maar deze boerderij sprong er uit. We zijn met honderd koeien begonnen. Dat was te veel. Nu zitten we op vierenvijftig hectare met tachtig koeien. Samen met mijn zoon. Maar met die ziekte ben ik er helemaal mee opgehouden.'

Stilte.

Hij: 'Ik had al tien jaar suiker. Dat heeft me nooit gehinderd.'

Zij: 'Je was alleen maar niet zo lekker.'

Hij: 'Voor die tijd had ik wel...'

Zij: 'Dat zijn hart op hol sloeg. En dan dacht hij dat-ie doodging. Hij moet in de kerk ook altijd aan de zijkant van de bank zitten. En hij gaat nooit in een vliegtuig.'

Hij: 'Ik moet weg kunnen. Anders heb ik het niet meer.'

Zij: 'Er zijn er wel meer die dat hebben.'

Hij: 'Maar de laatste jaren heb ik er geen last meer van.'

Zij: 'Nu er echt wat is, is het over.'

Hij: 'Nou heb ik een ziekte dat het zo met me gebeurd kan zijn. Maar ik loop er al drie jaar mee. Verscheidenen zoals ik hebben de drie jaar niet gehaald.'

Zij: 'Het begon met het plassen. Dat was niet goed.'

Hij: 'En ik kreeg trombose. Het werd uitgezocht en toen was het dus prostaatkanker met uitzaaiingen.'

Zij: 'De huisarts was er al bang voor.'

Hij: 'Je denkt: dat overkomt een ander. En nou overkwam het mij.'

Ietsje van der Molen bijt op haar lip. 'Het zit steeds in je hoofd', zegt ze. 'Maar je moet verder.' Ze staat op om in de pannen te roeren. Gosse van der Molen vertelt over de chemokuren die hij kreeg. Nu niet meer, ze helpen niet. Hij krijgt nu alleen hormonen en medicijnen die de groei van de tumoren moeten remmen. En hij is bestraald.

De telefoon gaat, Ietsje van der Molen neemt op. 'De huisarts', zegt ze als ze heeft opgehangen. 'Hij vroeg hoe het met je ging. Ik zei: wel goed.'

Hij: 'Als ik goed ben, bel ik niet.'

Zij: 'Dat zei ik ook.'

Hij doet zijn ogen dicht, drukt zijn hand tegen zijn voorhoofd. 'Ze hebben nog niet tegen me gezegd dat ze niets meer voor me kunnen doen. Maar ik heb wel in de gaten dat ik geen tachtig zal worden.'

Zij: 'Als je maar niet te veel pijn krijgt.'

Hij: 'Daar zie ik wel tegenop. '

De telefoon gaat weer. Nu is het de dominee. 'Hij komt vanmiddag', zegt Ietsje van der Molen. Ze lacht.

Hij lacht ook. 'Ja doe maar.'

Is hij gelovig?

Hij denkt na. Dan: 'Ik heb mijn twijfels wel eens. Ik weet niet wat ik erop zeggen moet.'

Zij: 'Er moet wel wat wezen. Anders was dit er allemaal niet.' Ze wijst naar buiten.

Hij: 'Maar is er een hiernamaals? Ik denk vaak dat het wel net zo zal zijn als met slapen. De tijd is weg. Stel dat we terugkomen na het overlijden. Dan ben je voor je gevoel morgen weer terug. Maar ik denk het niet hoor, dat we terugkomen.'

Zij: 'Je weet het niet.'

Hij: 'Niemand weet het. We praten er niet zo over. Zo in het dagelijkse huishouden praten we er nooit over.'

Een week later, weer aan de keukentafel. Buiten is het nog steeds geen voorjaar. Er is koffie met cake. Gosse van der Molen zegt dat ze gisteren in het ziekenhuis zijn geweest. Hij gaat elke drie weken. Hij zegt: 'Ik heb wat gekregen voor de botten. En we hebben het over de MRI-scan gehad, wat daar uit was gekomen. De internist zei: het is niet slechter.'

Ietsje van der Molen: 'Niet érg slechter.'

Hij: 'De internist gaat met de radioloog praten over bestraling voor mijn rug, omdat alle zenuwkanalen daar lopen.'

Zij: 'De achtste wervel is aangetast. Dat kan pijn gaan doen.'

Hij: 'Daarom dacht hij aan bestralen. Hij vroeg hoe het met me ging. Ik zeg: de ene dag is de andere niet, maar verder gaat het goed. Het bloed was ook niet slechter geworden.'

Zij: 'Het bloed was goed.'

Hij: 'Maar andere dingen zijn niet goed. Ik lijk een hele Piet. Maar ik kan niks. Ik heb geen conditie.'

Zij: 'Een eindje fietsen - nee.'

Hij: 'Het boerenwerk - het hoeft niet meer, maar het kán ook niet meer.'

Zij: 'De huisarts kwam, hij is nog betrekkelijk nieuw hier. Hij zei: ik wil u nu toch beter leren kennen.'

Hij: 'Ik ben nog niet zo ver dat ik zeg: als ik niets meer kan, dan hoef ik ook niet meer. Ik hoop niet dat het een lange lijdensweg wordt. Want dan zeg ik: een spuitje.'

Zij: 'Een spuitje?'

Hij: 'Als je verrekt van de pijn...'

Zij: 'Daar kunnen ze wat aan doen. Die achtste wervel, daarvoor gaan we nu naar de radioloog.'

Hij: 'Dat is waar. Eerst had ik het in mijn heupen. Toen ik bestraald was, was negentig procent van de pijn weg.'

Zij: 'De huisarts zegt ook dat je geen pijn hoeft te lijden.'

Ietsje van der Molen staat op om aan het eten te beginnen.

Hij: 'Waar ik mee zit is dat ik altijd heb gewerkt, en dat ik nu niets meer kan. Ik zou nog wel eens een armslag willen doen. Wat ik mis zijn de mooie dingen van het werk.'

Zij: 'Op de trekker rijden in het land.'

Hij: 'Lekker vrij. Dat is prachtig.'

Hij schuift met een ruk zijn stoel naar achteren en loopt naar de stal. Zij doet de deur achter hem dicht. 'Het wordt hem een beetje te veel', zegt ze. 'Soms, als het goed met hem gaat, zegt hij tegen Geert: nou moet je dit gaan doen. En dan denk ik: hij is wel goed nu. Maar hij heeft het al een tijd niet meer gezegd.'

Gosse van der Molen komt weer binnen. Hij neemt een glas sinas en hij zegt: 'Het maaien. Het eerste maaien in het voorjaar. Dat was prachtig. Buiten zijn. Vrij zijn. Ik ben nooit geschikt geweest voor de fabriek. Dat zeg ik: als ik geen boer was geworden, dan was ik op de vrachtwagen gegaan.'

Hij zegt dat de dominee nog geweest is, ze hebben gebeden en een stukje uit de bijbel gelezen. Welk stukje weet Gosse van der Molen niet meer.

Vindt hij het prettig, als de dominee komt?

'Ik kan aardig met hem overweg. Hij zegt tegen mij: het is me wat. Ik zeg: ja, het is me wat.'

Stilte.

'Ik ben er de hele dag niet mee bezig hoor. Ja, 's morgens. En 's avonds. Maar verder niet.'

    • Jannetje Koelewijn