Hazes is geen Hadewijch

De publieke omroep, bibliotheken, musea - steeds meer instituten streven naar een laagdrempelig en populair aanbod. En de elite? Die laat het gebeuren, of gaat er zelfs in mee. 'De elite neemt zichzelf niet meer serieus. Dat is het probleem.'

Ruiter Illustratie Olivia Ettema Ettema, Olivia

Er ging een siddering door staatssecretaris Clémence Ross-Van Dorp van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Ze was te gast in het tv-programma Barend en Van Dorp, april 2005. Behalve zij was cabaretier en tekstschrijver Jeroen van Merwijk uitgenodigd om zijn initiatief 'een Nieuw Elitair Elan' (NEE) te presenteren. De middelmaat is in het Nederlandse culturele aanbod zo dominant geworden, betoogde de cabaretier, dat 'het kleine, het eigenzinnige' wordt weggedrukt. 'Het is hoog tijd dat we opkomen voor een elitaire cultuur.'

Ross reageerde als door de bliksem getroffen: 'Hè, elite, dat vind ik zo'n rotwoord!'

Van Merwijk beschouwt die reactie als kenmerkend, zegt hij nu. 'In zo'n samenleving leven we: als je het woord elite in de mond neemt staat iedereen op zijn achterste benen. 'Elitair' zou een eretitel moeten zijn.'

Aan de Haagse politiek is Van Merwijks oproep nauwelijks besteed. Terwijl het ene na het andere 'hoogdrempelige' programma op Nederland 3 sneuvelt, klinken uit de Tweede Kamer geen protesten van belang. Integendeel: Als een Kamerlid zich uitspreekt, zoals de CDA'er Joop Atsma, is het om te pleiten voor meer zendtijd voor Jan Smit, Marianne Weber en Frans Bauer, artiesten die de publieke omroep volgens hem ernstig veronachtzaamt.

Ook van staatssecretaris Medy van der Laan van Cultuur heeft Van Merwijk weinig te verwachten. Zij riep het afgelopen najaar de rijksmusea op de 'oude, stoffige vitrines' op te ruimen en zich te concentreren op 'urban jongeren'. Die vonden musea maar saai, wist Van der Laan, en zij was het met hen eens. 'Schilderij aan de muur, bordje erbij. Dat verrast toch niet meer?' Die woorden doen denken aan José Ortega y Gassets cultuurpessimistische klassieker De opstand der horden (1927). Ortega y Gasset ontwaart daarin de opkomst van de 'hordemens', die verwacht dat alles hem komt aanwaaien. 'Alles ligt voor hen gereed, het staat allemaal tot hun beschikking, zonder dat zij er eerst enige moeite voor hebben moeten doen.'

Georgina

'Wij leven in de wereld van de terreur van de middle of the road. Als je de huidige sfeer vergelijkt met die van een jaar of tien geleden, dan zie je dat de populaire cultuur heel machtig is geworden. Vooral bij de omroepen. Onder druk van de kijkcijferstrijd is al veel high culture gesneuveld. Op de middengolf mag nog wat worden geëxperimenteerd en geïntellectueeld, maar dat is binnenkort ook afgelopen. De zender 747 AM (met cultuurprogramma's als De Avonden, AV) wordt binnenkort een zender met vijftig-plus muziek. En dan niet mijn soort vijftig-plus muziek, maar Conny Vandenbos en de vioolconcertjes van Mantovani.'

Harry de Winter, televisie- en theaterproducent, heeft zijn benen languit op een stoel gelegd. Zijn prachtige werkkamer, met uitzicht op het Amstel Hotel, is een ode aan het tv-toestel. Tientallen tv's staan er opgesteld, temidden van andere bekende voorwerpen uit de populaire cultuur, zoals een jukebox en een pop van een zwarte jazzmuzikant uit de jaren twintig.

De Winters liefde voor tv mag dan groot zijn, zelf kijkt hij nauwelijks nog. 'Ik ben een liefhebber van de betere documentaire. De VPRO had vroeger programma's als Diogenes en Het gat van Nederland. Die zijn allang opgeheven, en er is te weinig voor in de plaats gekomen.'

De Winter signaleert een massale 'versoaping', een cultuur die geobsedeerd is door uiterlijk en consumptief genot. Schouwburgdirecteuren zijn niet zozeer geïnteresseerd in het stuk dat hij aanbiedt als wel in de vraag wie erin spelen. 'Speelt Katja Schuurman of Georgina Verbaan mee?', krijgt De Winter te horen. 'Luidt het antwoord nee, dan hebben ze geen belangstelling.' Van Merwijk ervaart hetzelfde: 'Kleine ensembles krijgen het steeds moeilijker. Dat komt vooral door de bestuurders van die schouwburgen. Ze willen dat de tent vol zit, het maakt niet uit waarmee.'

Ook de publieke omroep is volgens De Winter geheel in de ban geraakt van de soapcultuur. Hij vergelijkt een serie van tien jaar geleden van zijn eigen bedrijf, Pleidooi, met de nieuwe advocatenserie Keyzer en de Boer van de KRO en NCRV. 'Ik vind Keyzer en De Boer inhoudelijk en dramatisch gezien een stuk minder interessant, en ik denk niet dat ik daar alleen in sta. Als lokkertje zetten ze Daphne Bunskoek in, net als Linda de Mol in Gooise vrouwen van Talpa, hoewel ze allebei niet kunnen acteren. Maar het wordt gelanceerd als kwaliteitsdrama. Dat is de publieke omroep van vandaag.'

Enkele maanden na het gesprek wil De Winter nog graag iets toevoegen aan het artikel. In NRC Handelsblad heeft een portret gestaan van 'media-kenner' Irene Costera Meijer. Omroepen lopen bij haar de deur plat voor advies, steeds met deze vraag: hoe kunnen zij de jonge kijker aan zich binden? Een van Costera Meijers ideeën: verpak het nieuws in de vorm van een soap. Een inmiddels berucht voorbeeld van hoe de berichtgeving over de Westelijke Jordaanoever er volgens de soapformule uit zou kunnen zien: 'Zou Ahmet er morgen wél in slagen de grensovergang te passeren?'

De Winter: 'Dat is een schrikbeeld.'

50 Cent

Op zo'n tweehonderd meter van De Winters kantoor woont Paul Scheffer, bijzonder hoogleraar Stedelijke Problematiek en publicist. Hij is het met De Winter eens. 'De publieke omroep is een typisch voorbeeld van een instituut dat is uitgewoond door de politiek. Maar het zijn in de eerste plaats de omroepen zélf die hun taak verwaarloosd hebben, omdat ze niet meer wisten waar een publieke omroep voor is. Namelijk voor het onderhouden van een idee over de cultuur van een land, van het debat. Daarin hebben ze volledig gefaald.'

Niet alleen de omroepen zijn het spoor bijster, vindt Scheffer. Een voorbeeld op het gebied van een van zijn grootste liefdes: geschiedenis. De Koninklijke Bibliotheek, het Rijksmuseum, en enkele andere gerenommeerde instituten richtten twee jaar geleden de stichting Anno op, die de Nederlandse geschiedenis voor een groot publiek toegankelijk moest maken. Natuurlijk kwam er ook een website, samengesteld door Anno's eigen redactie.

'Ik heb gekeken en trof er de meest laagdrempelige treurigheid aan', zegt Scheffer. Inderdaad lijkt Anno het de bezoeker niet al te moeilijk te willen maken. Een greep uit de onderwerpen: 'Nederlanders zijn koude minnaars', de oorsprong van de uitdrukking 'rijden voor spek en bonen', en een overzichtsstukje over het verzet tegen kernenergie. Gemiddelde omvang: 250 woorden, de lengte van een kort krantenbericht.

Dat in Nederland zelfs instituten als het Rijksmuseum en de Koninklijke Bibliotheek er niet meer in slagen iets van enig niveau af te leveren, is volgens Scheffer tekenend voor de huidige situatie. Hij pleit voor een terugkeer van enig intellectueel niveau, in plaats van het alsmaar dieper door de hurken zakken om een zo groot mogelijk publiek te bereiken.

'Het gaat mij er niet om een soort elitecultuur te onderhouden die is losgezongen van de samenleving. Nee. Ik wil een cultuur die zich richt op de grote groep geïnformeerde burgers. Gezien de hoge opleidingsgraad in Nederland, zou er een groot publiek moeten zijn voor kwaliteitskranten, voor een goede publieke omroep, voor een onderwijsstelsel dat het zich niet te gemakkelijk maakt. Er zouden mensen moeten zijn die een bepaalde norm willen verdedigen in dat soort instituties, die een bepaald cultureel ideaal willen uitdragen.'

Maar bestaat die elite nog wel? Het soort mensen dat waarde hecht aan een zekere culturele vorming - in het debat, de kunsten, de muziek, de wetenschap - ook als die niet in dienst staat van de carrière. Of leveren onze instellingen voor hoger onderwijs alleen nog hoogopgeleide specialisten op? Competent in hun vakgebied, maar verder nauwelijks anders dan hun leeftijdgenoten met een vmbo-diploma?

'Natuurlijk is die elite er nog', zegt Chris Rutenfrans, redacteur van Trouw en vertaler van het werk van de cultuurcriticus Theodore Dalrymple. 'Alleen, ze neemt zichzelf niet meer serieus. Dát is het probleem. Ze ontkent zichzelf door haar eigen normen te relativeren. Dan krijg je dus van die teksten als: persoonlijk hou ik meer van Bach, maar als mijn leerlingen nou liever naar 50 Cent luisteren, wie ben ik om daar een oordeel over te geven? We moeten weer gewoon kunnen zeggen: Bach staat hoger dan 50 Cent. Klassiek staat hoger dan rap. Punt uit.'

Hij haalt het voorbeeld aan van de Matinee op de Vrije Zaterdag, begin jaren zestig bedacht door de Vara. 'Dat was een speciale middag voor de arbeiders in het Amsterdamse Concertgebouw. In de oude sociaal-democratische traditie moest de arbeider het niet alleen materieel beter krijgen, maar ook cultureel verheven worden. De oude en jonge Drees zaten nog helemaal in die traditie. Die bestaat niet meer.'

De basis van dat ideaal lag in de vanzelfsprekende superioriteit van de 'hoge' tegenover de 'volkse' cultuur. Dat die is verdwenen, beschouwt Rutenfrans als een grote fout. Maar ís het uiteindelijk niet een kwestie van smaak? Kan iemand bewijzen dat Bach beter is dan 50 Cent? Een merkwaardige vraag, vindt Rutenfrans: 'Je kunt ook niet bewijzen dat iemand die rooft en moordt slechter is dan iemand die zich voor gehandicapten inzet. En toch vinden wij dat allemaal volkomen vanzelfsprekend.'

Hazes

De drang om het volk te verheffen bestaat niet meer. Het omgekeerde lijkt het geval: de 'elite' heeft de smaak van het 'volk' overgenomen, of laat in ieder geval geen gelegenheid voorbijgaan haar respect hiervoor te betuigen. Bij zijn inauguratie als bijzonder hoogleraar in de Nederlandse liedcultuur aan de Universiteit Utrecht, trok Louis Peter Grijp in 2002 een parallel tussen de 13de-eeuwse schrijfster van mystieke poëzie Hadewijch en de Amsterdamse volkszanger André Hazes. Hoewel Grijp zich haastte te zeggen dat de twee 'lichtjaren van elkaar verwijderd lijken', mat hij juist de overeenkomsten breed uit. Hij concludeerde: 'Zowel Hadewijch als Hazes zingen over hun problemen in de liefde, hoe verschillend geaard ook. Dat brengt bij beiden emoties mee en daarvan is de muziek de drager.'

Ad Verbrugge, publicist en universitair hoofddocent Wijsbegeerte aan de Vrije Universiteit, plaatst het begin van deze ontwikkeling in de jaren zestig. 'Sinds de democratiseringsgolf die toen begon, is er bijna geen elite meer die op grond van een vakinhoudelijke of morele ontwikkeling een bepaalde norm stelt, en die zich ook verantwoordelijk voelt om die te handhaven. En doordat de elite dat niet meer doet, wordt ook de legitimiteit ervan in twijfel getrokken.'

Verbrugge beschouwt het niet stellen van 'fysieke, morele en intellectuele eisen' aan kinderen als 'een vorm van verwaarlozing. Je belet ze het maximale uit hun mogelijkheden te halen. Wanneer je die eisen wel aan jezelf stelt is het arrogant er vanuit te gaan dat anderen daar niet aan zouden kunnen voldoen.' Studenten beschikken hierdoor over minder intellectuele bagage dan vroeger, is zijn ervaring. 'Vooral de letteren hebben onder het gestaag verlagen van de eisen te lijden gehad. Het begon met het niet meer beoordelen op grond van stijl, nu worden zelfs spelfouten vaak niet meer in mindering gebracht.'

Een ander gevolg van het loslaten van normen ziet Verbrugge in de morele verwildering, zoals te zien in de seksueel expliciete videoclips op een zender als TMF. 'Zinloos geweld', groepsverkrachtingen waaraan jongens van 11 jaar meedoen, betaalde tienerseks die volgens de Amsterdamse GGD sterk is toegenomen, zijn allemaal symptomen van het verval. Verbrugge: 'Een bepaald segment van de samenleving begint aan verloedering ten prooi te vallen. Er ontstaat wat ik noem 'gepeupel', een bevolkingsgroep die belangrijke deugden als zelfbeperking en eigen verantwoordelijkheid niet meer kent.'

Het woord 'gepeupel' zou weerstand kunnen oproepen, wegens de reactionaire gevoelswaarde. Maar Verbrugge heeft er nog nooit kritiek op gekregen, terwijl hij het toch regelmatig in zijn lezingen gebruikt. Wat zegt dat volgens hem? 'Dat veel mensen domweg erkennen dat er zoiets als gepeupel ontstaat. Neem nu de groepsverkrachtingen. Wat is het sociale klimaat waarin zo'n fenomeen kan gedijen?'

De term gepeupel doet ook denken aan de Franse Revolutie. Volgens Gabriël van den Brink, publicist en hoogleraar Bestuurskunde in Tilburg, ligt daar de oorsprong van het gelijkheidsdenken, al had de gelijkheid van de Franse Revolutie betrekking op gelijke kansen bij geboorte, niet op een universele gelijkwaardigheid van alles en iedereen. 'Wat begon als gelijke rechten is uitgegroeid tot een hele cultuur die hiërarchie en gezag grotendeels heeft uitgebannen. Probeer maar eens iemand op straat aan te spreken op zijn gedrag. Grote kans dat je direct een agressief weerwoord krijgt.'

Op moreel gebied trekt de overheid de teugels weer stevig aan. Het normen-en-waardenoffensief van premier Balkenende is niet uitsluitend een zaak van het gereformeerde smaldeel van het CDA, de harde aanpak van criminaliteit evenmin. Een enquête onder Rotterdammers liet onlangs zien dat ook 'een ruime meerderheid' van de PvdA-stemmers vindt dat criminele Antillianen uitgezet moeten worden. Maar aan een offensief op intellectueel en cultureel gebied wagen politici zich niet, bang als ze in het post-Fortuyntijdperk zijn om 'het volk' van zich te vervreemden. Ook Wouter Bos beperkt zich in zijn boekje Dit land kan zoveel beter tot algemeenheden als: 'Goed onderwijs wordt steeds belangrijker.'

Netelenbos

Gabriël van den Brink wil niet spreken van een 'verwording' van het gelijkheidsbeginsel uit de Franse Revolutie; hij spreekt liever van 'een verdere ontwikkeling'. 'Ik weet ook niet of je kunt spreken van een aanval van de 'lagere cultuur' op de 'hogere cultuur'. Maar ik zie de laatste 25 jaar wel een veronachtzaming van kwaliteitsnormen. Ik vind dat de meeste professionals, hetzij uit gemakzucht, hetzij uit gebrek aan ruggengraat een loopje hebben genomen met hun eigen normen.'

Het 'bedrijfseconomische denkmodel' is sinds de jaren tachtig in de hele samenleving dominant, zegt Van den Brink. 'Veel professionals worden door het management onder druk gezet om aantallen belangrijker te vinden dan kwaliteit. Het verlagen van examennormen voor hoge 'doorstroomcijfers' in het onderwijs, het streefcijfer voor uitgeschreven bonnen bij de politie, het baseren van vergoedingen op aantallen handelingen in een ziekenhuis. Allemaal kwantitatieve criteria. Ik vind dat kwalitatieve normen moeten terugkomen.'

Harry de Winter heeft hetzelfde gezien bij de omroepen. 'Vroeger werden programma's op twee manieren beoordeeld: kijkcijfers en waarderingscijfers. Waar zijn de waarderingscijfers gebleven? Die geven aan met welk plezier er gekeken is. Dat vind ik veel interessanter dan kijkcijfers. Ook als ik adverteerder zou zijn. Die kast staat in veel huiskamers altijd wel aan. Maar kijken de mensen er ook naar, of is het slechts bewegend behang?'

Het besef dat iets ook de moeite waard kan zijn wanneer niet hele volksmassa's erop af komen, dat moet terugkomen bij de schouwburgdirecteuren, vindt Van Merwijk. 'Dat het niet erg is als er in een zaal maar honderd mensen zitten. Als die mensen er maar plezier aan beleven.'

De veronachtzaming van kwaliteit heeft volgens Van den Brink ook een andere oorzaak: er zijn te veel bestuurders zonder kennis van hun vakgebied. Iets waar je weinig van afweet, kun je ook niet naar waarde schatten. Zoals het vak van leraar. 'In het studiehuis werd de rol van de leraar uitgekleed ter stimulering van de 'zelfwerkzaamheid' van de leerling. Een enorme fout, veroorzaakt door onkunde. Zelfwerkzaamheid is prima, maar wel op basis van een bepaald kennisniveau. Het cynische is dat het wordt gepropageerd door mensen die zelf onvoldoende kennis in huis hebben. Want wie was er eigenlijk voorstander van dit 'leren leren'? Juist, mevrouw Netelenbos. En wat is nou de intellectuele rijkdom van Netelenbos, wat heeft zij in haar hoofd? Veel te weinig, voorzover we het aan haar daden kunnen aflezen. Goed, nu komt men ervan terug. Maar wat heeft het de samenleving niet gekost?'

Ministers hoeven niet per se over veel specialistische kennis te beschikken, vindt hij, zolang ze maar ondersteund worden door deskundige ambtenaren. 'Maar wat zie je daar? Veel topambtenaren rouleren. Een jaar VWS, dan weer een jaar Onderwijs, en vervolgens een jaar Binnenlandse Zaken. Daardoor kennen ze de wereld niet waar ze over gaan. Ze zijn alleen maar bezig met het 'aansturen van processen'. En het zijn rekenmeesters, natuurlijk.'

Ook Ad Verbrugge pleit voor rehabilitatie van de vakbestuurder. 'Benoem alleen nog mensen die gepokt en gemazeld zijn in de sector waarin ze een bestuursfunctie bekleden. Alleen op die manier krijgen we weer een elite die die naam waard is. In de praktijk geschoolde mensen, die op grond van intellectuele kwaliteiten komen bovendrijven. Zulke mensen besturen anders dan degenen die van buiten komen, en om welke reden dan ook de touwtjes in handen krijgen.'

Snouck

Harry de Winter, Jeroen van Merwijk en Paul Scheffer willen niet wachten op een elitair reveil in bestuurlijk en politiek Nederland. Zij nemen zelf het initiatief. Harry de Winter bouwt in Amsterdam Oud-West een oude tramremise om tot een theater, waar hij de voorstellingen kan programmeren waarvoor de theaterdirecteuren geen interesse hebben. Met of zonder soapsterren in de hoofdrol. Daarnaast heeft hij vergevorderde plannen voor een nieuwe tv-zender, waarop de kijker die zich van de publieke omroep heeft afgekeerd, weer 'diepgang en kwaliteit' moet vinden.

Jeroen van Merwijk hoopt met zijn Nieuw Elitair Elan geld op te halen om theatervoorstellingen te financieren die nu worden weggedrukt door de mainstream. En Paul Scheffer spreekt met de Bezige Bij over de uitgave van een 40-delige boekenreeks: De Bibliotheek van Nederland, naar het voorbeeld van de Library of America, waarin alle belangrijke teksten uit de Nederlandse geschiedenis opgenomen zullen worden. Van de Acte van Verlatinghe tot een selectie uit het werk van Thorbecke, en het werk van Snouck Hurgronje, wiens toonaangevende islamstudies nergens meer te krijgen zijn.

Het samenstellen van zo'n serie wordt een kolossaal werk. Wat motiveert Scheffer precies? 'Als de elite zich losmaakt van de eigen cultuur, en zegt: waarom zijn die Thorbecke, die Snouck en die Hermans eigenlijk zo belangrijk' dan zul je zien dat André Hazes straks als enige op de middenstip ligt van de virtuele Arena van dit land. En ik ben er erg voor dat Hermans af en toe óók op de middenstip ligt.'

Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, Postbus 8987, 3009 TH Rotterdam
    • Arnoud Veilbrief