Groot-Brittannië vaart wel bij erfenis Thatcher

De Conservatieve premier Thatcher gooide in Groot-Brit-tannië in de jaren '80 het roer in de sociaal-economische politiek radicaal om. Met zó'n succes dat de huidige Labour-regering er nog steeds wel bij vaart.

Arthur Scargill (links) van mijnwerkersvakbond was de belangrijkste opponent van Margaret Thatcher, hier als pop. (Foto AP) Miners' Dispute - Miners' leader Arthur Scargill meets an impersonator of the Prime Minister during a rally and march through Stoke-on-Trent today. Undated picture. (AP Photo) Associated Press

Even werden de Britten deze week geconfronteerd met een schaduw uit het verleden. Honderdduizenden lokale ambtenaren legden dinsdag het werk voor een dag neer uit onvrede met hun pensioenrechten. Het was voor het eerst in lange tijd dat de vakbonden weer eens van zich lieten horen.

Groot-Brittannië raakte er niet door van de kook. De staking haalde amper de voorpagina's en de meeste Britten haalden slechts hun schouders op. Voor de bonden, nog geen drie decennia geleden in staat het land hun wil op te leggen, was het tamelijk ontnuchterend.

Het is ook de vraag of de regering de stakers hun zin geeft, al hebben dezen met nieuwe acties gedreigd. Vakbondsleiders klagen dat ze tegenwoordig zelfs in hun eigen Labour-partij worden beschouwd als 'stemmen uit het verleden'. Premier Tony Blair heeft er nooit een geheim van gemaakt dat hij met afschuw terugkijkt op de jaren '60 en '70, toen de vakbonden op hun hoogtepunt waren.

In 1979, het jaar dat de Conservatieve premier Margaret Thatcher aantrad, was 63 procent van alle mannelijke werknemers lid van een vakbond. In veel bedrijfstakken was het vakbondslidmaatschap verplicht en vaak dwongen de bonden hogere lonen af of wisten ze ingrepen te blokkeren die de rentabiliteit van ondernemingen konden bevorderen maar in banenverlies resulteerden.

Thatcher zag het als haar missie de macht van de bonden te breken. Zo kwam het tot een epische strijd met de mijnwerkersbond onder Arthur Scargill, de meest militante van allemaal. Na een jaar trok Thatcher aan het langste eind en met de inefficiënte mijnen was het snel gedaan. Met steun van de meerderheid van de Britten voerde zij nieuwe wetgeving in, die de vakbonden aan banden legde en het makkelijker maakte voor werkgevers om personeel aan te nemen of te ontslaan. Het aantal vakbondsleden daalde snel.

Blair besefte in de jaren '90 dat de Britten niet terugwilden naar de oude toestand en dat de door Thatcher geforceerde liberalisering van de economie het land meer perspectief bood. Labour moest niet krampachtig vasthouden aan bestaande banen, maar een klimaat creëren voor een concurrerende economie met nieuwe banen. Daarnaast moest de partij zorgen voor betere medische zorg en beter onderwijs.

'Vrienden', zei Blair in september. 'We moeten het doel van de volledige werkgelegenheid nooit meer in gevaar brengen door terug te keren naar de oude tijd van inflatie aanwakkerende loonsverhogingen en conflicten, de oude tijd toen sectorale belangen voorrang kregen boven het nationale belang.'

Dat verklaart waarom de regering-Blair vorig jaar het laatste grotere Britse autoconcern, MG Rover, rustig failliet liet gaan. En het verklaart waarom ze geen vin verroerde toen een Arabisch bedrijf onlangs het scheepvaartbedrijf P&O, de trots van het Britse koloniale rijk, overnam. Vanuit dezelfde filosofie stelde Groot-Brittannië zijn arbeidsmarkt twee jaar geleden geheel open voor werknemers uit de nieuwe lidstaten van de Europese Unie.

De Britse economie is er wel bij gevaren. Al meer dan een decennium vertoont ze onafgebroken groei, al is het tempo het afgelopen jaar afgenomen. De werkloosheid is er met 5,0 procent bijna twee keer zo laag als in Frankrijk (9,6 procent). En de ontslagen 6.000 werknemers van MG Rover? Ruim tweederde heeft alweer werk gevonden.

Incidenteel laat echter ook de regering-Blair haar liberale beginselen varen. Vorige herfst kwam ze onder druk van de bonden voor rijksambtenaren, personeel van de gezondheidsdienst en leerkrachten een pensioenleeftijd van 60 jaar overeen, terwijl het bedrijfsleven een grens van 65 jaar kent. Veel bedrijven hikken zelfs daar tegenaan, waardoor de grens mogelijk nog omhoog gaat.

Ook nieuwe gemeenteambtenaren moeten voortaan tot hun 65ste doorwerken. Maar die pikken dat niet. Waarom zouden zij langer moeten werken dan hun collega's bij het rijk, in de zorg en het onderwijs? Zo heeft de regering zich met haar reflex van vorige herfst lelijk in de nesten gewerkt.

    • Floris van Straaten