Een intelligente manier van overleven

Immigranten in Nederland moeten zich aanpassen aan de moderniteit van onze cultuur, vindt sociaal-filosoof Gabriël van den Brink. Maar die moderniteit is niet zijn ideaal. Dirk Vlasblom

Moslimvrouwen op een Rotterdamse vrijmarkt tijdens Koninginnedag 2003. Sociaal-filosoof Gabriël van den Brink ziet dat etnische groepen in de stad langs elkaar heen leven. Hij vindt dat immigranten zich moeten aanpassen aan het moderne bestaan, al heeft moderniteit nadelen. Foto Vincent Mentzel Koninginnedag 2003. foto VINCENT MENTZEL/NRCH ==F/C==Rotterdam,Heemraadsplein, 30 april 2003 Mentzel, Vincent

Er is iets gebeurd dat slecht benoemd is. Migranten zijn naar Nederland gekomen met veel werklust en ondernemingszin en zitten nu vaak met een kapotte rug thuis. De aansluiting tussen wat zij meebrachten uit het land van herkomst en wat de moderne samenleving vraagt, is niet goed gelukt.' In een Haags café vat sociaal-filosoof Gabriël van den Brink de conclusies samen van zijn jongste boek: Culturele contrasten - het verhaal van de migranten in Rotterdam.

Na de dramatische verkiezingen van 2002, die het oude stadsbestuur wegvaagden, vroeg het nieuwe college Van den Brink en sociaal-psycholoog Dick de Ruijter onderzoek te doen naar de positie van migranten. 68 Rotterdammers van uiteenlopende etniciteit werden diepte-interviews afgenomen in hun eigen taal: over huwelijks- en gezinsleven, geloofsbeleving, ervaringen met werk en onderwijs, sociale contacten en hun kijk op de Nederlandse samenleving.

Van den Brink ordende het materiaal en trok conclusies. In Rotterdam dreigt een etnisering van de samenleving, een situatie waarin groepen steeds meer langs elkaar heen leven. De ruimte die ze met elkaar delen, is in het geding. Diversiteit is mooi, maar die kan alleen bestaan binnen een kader van gedeelde waarden.'

Naar Gabriël van den Brink wordt steeds vaker geluisterd. Niet alleen door het Rotterdamse college, maar ook door de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR). Hij is hoogleraar maatschappelijke bestuurskunde in Tilburg en geeft les aan de Politieacademie. Tussen de bedrijven door doet hij onderzoek en advieswerk en schrijft hij opiniestukken. Toch is zijn gezag niet onomstreden. Empirisch sociologen vinden dat hij te lichtvaardig waardeoordelen velt. Zelf zegt hij zich te houden aan de regels van het vak, maar in zijn geval is dat er meer dan één.

In de negentiende eeuw, toen het Westerse denken werd beheerst door het vooruitgangsgeloof, ontstond de sociologie uit een fascinatie met 'moderniteit' - de vraag in welke richting samenlevingen zich ontwikkelen. Die vraag houdt ook Van den Brink bezig. Moderniteit is mijn centrale thema', zegt hij achter een glaasje cola, en de complexiteit ervan vraagt om meer dan één invalshoek. Daarom combineer ik historische analyse, sociologisch onderzoek en filosofische reflectie.'

Na een studie wijsbegeerte in Nijmegen begon hij aan een promotieonderzoek naar de lotgevallen van het Brabantse dorp Woensel. Ik bracht tien jaar door in het archief en voor een filosoof is dat een geweldige ontdekkingsreis. Je bent niet bezig met abstracte begrippen, maar met dossiers die hun geheimen niet zomaar prijsgeven. Ik verdiepte me in graanprijzen, grondsoorten, stoffelijke materie. Het werd de integrale geschiedenis van een dorp gedurende 250 jaar. Ik zag hoe deze gemeenschap van keuterboeren werd opengebroken door processen die elders waren begonnen: vrijhandel, markteconomie, industrialisering. Ik beschreef hoe mensen zich tegen die invloeden van buiten verzetten, of erin mee gingen en er hun voordeel mee deden. De micro-gevolgen van macro-processen. Met de migranten in Rotterdam deed ik hetzelfde. De grote bewegingen - mondialisering en migratie - zie je terug in hun verhalen. Grootvader vertrok met de laatste boot uit India naar Suriname en uiteindelijk kwam de familie naar Nederland. Ook dat vergde aanpassing.'

Een socioloog is iemand die de sociale werkelijkheid in kaart brengt en verklaart; een sociaal-filosoof beziet de samenleving in het licht van normen.U speelt beide rollen tegelijk.

Dat is zo. Ik heb in opdracht van de WRR twee jaar geleden een boek geschreven over normen in Nederland. De gegevens zijn verzameld door het Sociaal-Cultureel Planbureau. Die zijn voor een deel kwantitatief en aan de hand daarvan kun je precies beschrijven hoe Nederland over normen denkt of is gaan denken. Zo stelde ik vast dat in 1965 81 procent van de Nederlanders er bezwaar tegen had dat moeders met kleine kinderen gingen werken. In 1995 was dat percentage geslonken tot 9 procent. Ik ging een stap verder en daarbij kwam de filosofie om de hoek kijken. Ik zei ook: het is goed dat we die normen duidelijk uitspreken en collectief maken. En het is goed om te investeren in mensen die er moeite mee hebben om die normen te leren.'

Dat waardeoordeel is gebaseerd op een diagnose: wat is er de afgelopen twintig jaar in Nederland gebeurd? De normen zijn niet verminderd, maar er vond privatisering van het normbesef plaats. Mensen hanteren voor zichzelf vaak heel hoge normen, maar die worden nauwelijks meer met anderen gedeeld. En dat schept een probleem. Als iedereen zich terugtrekt in zijn eigen normativiteit, wordt het moeilijk om uit te leggen waaraan we ons in het publieke domein moeten houden. En als het om nieuwkomers gaat, wordt het moeilijk om aan te geven waarin ze geacht worden te integreren. In politiek-morele zin is het de afgelopen jaren urgent geworden weer te ontdekken wat we delen. Welke gemeenschappelijke normen moeten we versterken? En wat is vrij, in die zin dat we daar geen gemeenschappelijke normen voor hoeven te hebben?'

In 'Culturele contrasten' noemt u vier 'principes die binnen het moderne bestaan een cruciale rol spelen': aanspreekbaarheid, gelijkwaardigheid, zelfwerkzaamheid en betrokkenheid. Toch stelt u moderniteit niet gelijk met vooruitgang.

Modernisering is een door en door ambivalent project en ik sta er dan ook ambivalent tegenover. Je hebt eigenlijk alleen voor- en tegenstanders: mensen die de modernisering zo snel mogelijk vooruit willen helpen en zij die betreuren dat dit proces zoveel vernietigt of die het verleden romantiseren. Opmerkelijk genoeg wordt in het openbare debat altijd één van beide posities ingenomen. Ik ben van mening dat ze bij elkaar horen.'

Bij modernisering gaat het om processen en tendensen die een lange geschiedenis hebben. De Franse Revolutie maakte een einde aan het ancien régime, introduceerde gelijkheid en schafte in beginsel autoritaire verhoudingen af. Dat is een breuk die de hele negentiende en twintigste eeuw aan het werk is geweest. Hij heeft het landschap geschapen waarin wij ons nog altijd bewegen en die voor telkens nieuwe terreinen gevolgen heeft. Zo kwam de democratisering van onderwijs en kunst pas in de jaren zestig op gang. Die ontwikkeling heeft zich ook buiten Europa doen gelden en leidde sinds de jaren tachtig tot de val van heel wat autoritaire regimes. Het is dan een kwestie van realiteitsbesef om te zeggen: zo gaan de dingen, we kunnen niet zomaar terug. Maar daarmee ben je niet van de ambivalentie af.'

Geeft u eens voorbeelden van die ambivalentie.

De Italiaanse minister die de Nederlandse euthanasiepraktijk vergelijkt met de nazi's is blind voor het streven naar menselijke waardigheid dat eraan ten grondslag ligt. Onze euthanasieregeling vergt van de arts, de familieleden en de stervende een hoog ontwikkelde moraliteit. Het geweten is een universeel gegeven, maar de maatschappelijke vormgeving ervan loopt sterk uiteen. Moderniteit is een bestaanswijze waarin het individuele gewetensvolle handelen gestimuleerd wordt. Dat lijkt mij een grote vooruitgang ten opzichte van de collectieve of autoritaire vormgeving van het geweten - bijvoorbeeld door middel van kerkelijke richtlijnen.

Modernisering heeft ook schaduwzijden. Alles wat kwetsbaar en waardevol is, staat onder druk door de massaliteit van het openbare domein. Er wordt nu gedebatteerd over de kwaliteit van de Nederlandse televisie, van het onderwijs en van kunstuitingen. Dit komt doordat het onderscheid tussen elite en massa in de jaren zestig werd afgeschaft. Cultuur moet met een kleine 'c' worden geschreven en de volkscultuur is geëmancipeerd. Daar is wat voor te zeggen, maar tegelijkertijd verliezen de kwaliteitsmaatstaven die vroeger waren verankerd in de elite hun kracht.

Democratisering tast zeker niet op alle gebieden de kwaliteit aan. Normen voor medisch handelen zijn nu hoger dan vroeger. Maar in het openbare leven slijten de omgangsvormen en dat is een verlies. Denk maar aan het zinloze geweld dat in de jaren negentig de kop opstak. Mensen werden bij uitgaansgelegenheden doodgeschopt, niet door allochtonen of kansarmen, maar door 'gezonde Hollandse jongens' met een kantoorbaan. Er ontwikkelde zich een assertieve levensstijl die plus- en minpunten heeft. Men komt op voor eigen belangen en voorkeuren, dat is winst, maar die prioriteiten gaan ten koste van medeburgers.'

Toch neemt u in uw nieuwe boek allochtone Nederlanders de maat van de moderniteit door hun levenswijze te toetsen aan die vier beginselen.

Inderdaad. Het boek bevat een theorie over wat voor migranten een intelligente manier van overleven is. Ik doe een poging hun belevingswereld serieus te nemen. Hoe is het om naar een Nederland te komen dat zich vaak hard en onwelwillend gedraagt? Hoe niet alleen te overleven, maar te zorgen dat de belofte van migratie - erop vooruitgaan - ook waar wordt voor de kinderen? Modern Nederland is een prestatiemaatschappij met een groot aantal markten: niet alleen een arbeidsmarkt, maar ook een huwelijksmarkt, een politieke markt, een criminele markt. Het gaat er hier vrij hard aan toe. Er wordt scherp geselecteerd. De migrant is een overlevingskunstenaar, wordt vaak gezegd, maar dat is een romantisering. De hardheid van dat overleven wordt niet serieus genomen. Het is een kwestie van eerlijkheid om nieuwkomers hiervan te doordringen. Zo bezien is realisme een morele keuze.'

Wat is er zorgelijk aan de toenemende culturele contrasten in een stad als Rotterdam?

Een wedervraag. Waarom kwam aan het einde van de jaren negentig een thema als leefbaarheid op? Sociale voorzieningen, gezondheidszorg, stromend water - Nederland is één van de meest leefbare landen ter wereld. Toch ervaren veel burgers achteruitgang en dat vraagt om duiding. Gevoelens van onleefbaarheid hebben minder te maken met criminaliteit dan men vaak denkt. Die houden vooral verband met de mate waarin mensen elkaar verstaan, in de ruimste zin van het woord. De aantasting van het gemeenschappelijke kader heeft een kritische grens. Voorbij die grens voelt men zich bedreigd. Als het gesprek stagneert, sta je met je problemen alleen. Dat roept gevoelens van onleefbaarheid en onveiligheid op. Het is een uitdaging waarop de politiek een antwoord moet vinden.

De probleemstelling is misschien hard, maar dat sluit een remedie niet uit. Volgens mij moet burgerschap langs twee lijnen worden versterkt. Enerzijds door de sterke punten van migrantengroepen zoveel mogelijk te honoreren, anderzijds door te investeren op de punten waar ze tekortschieten. Valt de aansluiting voor alle migranten even ongunstig uit? Nee. Er zijn soorten migranten en de aansluiting verschilt per levensdomein. Het verhaal is bij werk en onderwijs heel anders dan op het gebied van huwelijk en gezinsleven.'

Wat zijn sterke punten van verschillende migrantengroepen?

Bij de Chinezen is dat ondernemingszin, arbeidsethos en schoolambitie. Bij de Surinamers en Antilllianen de vrouwenemancipatie en de wijze van opvoeden: een combinatie van liefde en strengheid. Turken en Marokkanen scoren relatief laag op de maten van moderniteit, maar hun respect voor ouderen en zorg voor de familie zijn wel degelijk sterke punten. Misschien is de moderniteit op den duur alleen te redden als we op een intelligente manier premoderne elementen opnemen.

Maar dat proces is aan twee kanten begrensd. In de eerste plaats door wat we politiek, moreel en cultureel delen. De Nederlandse rechtsstaat, bijvoorbeeld. Erkennen van eerwraak? Nooit aan beginnen! In de tweede plaats heb je te maken met het bedrijfsleven en het onderwijssysteem. In Rotterdam is voor de haven weinig werkgelegenheid in de plaats gekomen. Een college kan het vestigen van bedrijven aantrekkelijk maken, maar beslissen doen die bedrijven uiteindelijk zelf.

Het vergt al een grote inspanning om aan de meest elementaire regels van het moderne bestaan te voldoen. Neem bijvoorbeeld afspraken nakomen en op tijd zijn. Het kostte destijds ook grote moeite om Brabantse boeren te leren dat je om half acht, als de fabrieksfluit ging, binnen moest zijn. In Rotterdam worden nog steeds boetes uitgedeeld voor kinderen die op de eerste schooldag afwezig zijn omdat de vakantie in Marokko uitloopt. Dat moet geleerd worden en dat gaat niet zonder normatieve druk. De overgang van een agrarisch naar een industrieel Nederland heeft zich binnen twee generaties voltrokken. Waarom? Omdat politie, kerk en onderwijs er bovenop zaten. En ook omdat discipline de mensen zowel moreel als materieel een aantrekkelijker toekomst bood. Geduld en respect zijn niet voldoende. Aansluiting bij de moderniteit lukt alleen als de mensen er zelf moeite voor doen.'

Gabriël van den Brink, 'Culturele Contrasten - Het verhaal van de migranten in Rotterdam', Bert Bakker, 383 bldz. ISBN 90-351-3022-7, 22,95 euro.