Chinezen weten wat ze wél weten

De westerse wetenschap maakt vorderingen dankzij haar filosofisch uitgangspunt: eeuwige scepsis. Maar de nadruk op niet-weten is in een kenniseconomie niet zo gelukkig.

'Vanuit de wetenschap gezien is de zoektocht naar de waarheid een moeizame weg. () De absolute waarheid verschijnt daarbij als een fata morgana, die bij iedere stap vooruit verder achter de horizon verdwijnt', aldus het romantische beeld dat Robbert Dijkgraaf van de exacte wetenschap schildert. Hij citeert ook theoretisch fysicus Richard Feynman: 'Ik kan leven met twijfel en onzekerheid en niet weten. Ik denk dat het veel interessanter is om in onwetendheid te leven, dan met antwoorden die fout zouden kunnen zijn.'

Het je laten voorstaan op wat je níet weet, was in de Oudheid al een populaire strategie. 'In werkelijkheid weten wij niets, want de waarheid ligt in de diepte', stelde Democritus vijf eeuwen voor Christus vast. Deze sceptische constatering maakte niet dat hij daarna achterover ging zitten en de zaken maar liet voor wat ze waren. Integendeel. Democritus was een fervent onderzoeker en hij boekte juist opmerkelijke resultaten. Hij kwam al met het onzichtbare atoom als elementaire bouwsteen voor het universum op de proppen, toen zijn tijdgenoten nog over de basiselementen aarde, water, lucht en vuur speculeerden. De door Democritus beleden principiële onwetendheid is, net als bij Dijkgraaf en Feynman, juist het motief om toch zijn hele leven achter die onbereikbare waarheid aan te jagen. Die paradoxale houding vinden we ook bij Socrates, die bekend is om zijn uitspraak: 'Ik weet dat ik niets weet.'

De sofisten gingen nog verder in het zaaien van twijfel: 'Er is niets, en als er iets zou zijn, dan kunnen we het niet kennen.' Deze Oud-Griekse twijfel is uitgegroeid tot een zeer respectabele stroming die aan de basis ligt van onze westerse wetenschap. Stel je voor dat we ooit tevreden zouden zijn geraakt met wat we wel wisten, bijvoorbeeld na Galileï's valwetten? Het wetenschappelijk onderzoek zou abrupt en voor altijd tot stilstand gekomen zijn. Nooit zouden we de gravitatie hebben gekend, die door de relativiteitstheorie onttroond is, die op haar beurt niet te rijmen is met de kwantummechanica. En aan een snaartheorie zouden we nooit zijn begonnen. Wetenschap is eigenlijk altijd geïnstitutionaliseerde scepsis - opzettelijk niet-weten - geweest, maar is dat zeker sinds Karl Popper gesteld heeft dat alleen betwijfelbare kennis wetenschappelijk mag heten.

Maar zo vruchtbaar en uitdagend als niet-weten voor de wetenschapper is, zo ongemakkelijk wordt de leek ervan. De patiënt (Hoe lang heb ik nog te leven, dokter?), de rechter (Kan ik op grond van dit genetisch profiel de beschuldigde veroordelen?) of de politicus (Warmt de aarde nou op of niet? Is fijnstof nu wel of juist niet gevaarlijk?) krijgt nooit een rechtstreeks antwoord op de vraag. De wetenschap heeft immers de waarheid niet in pacht. Dat verklaart meteen waarom wetenschap het soort kennis is waarop gewone burgers nooit geheel kunnen vertrouwen, omdat er altijd nog 'heel veel onderzoek gedaan moet worden'. Zulke kennis houdt ons in een neurotiserende staat van wetende onwetendheid en laat ons niet-deskundigen in een wolk van twijfel achter.

De ontwikkeling van de wetenschap heeft de condition humaine een ander aanzien gegeven. Vroeger wendden de mensen zich in hun onzekerheid tot de waarzegger. Die voorspelde de toekomst door in glazen bollen en de ingewanden van vissen kijken. Volkomen absurd, maar je kreeg destijds wel antwoord. Tegenwoordig raadplegen wij voor het antwoord op onze vragen de wetenschappers die veel beter kijken hoe het zit, maar die geven helemaal geen antwoord. Gevolg: wij moeten al onze conclusies zelf trekken uit de brokstukken aan onderzoeksgegevens die wetenschappers in de berm hebben achtergelaten tijdens hun eeuwige race naar nieuwe kennis. Dat is weliswaar vooruitgang, maar iedere weldenkende burger, politicus of functionaris die deskundigen raadpleegt moet zich wel bewust zijn van de natuurwet: deskundigen geven nooit uitsluitsel.

Maar voor de wetenschappers zelf veranderen de tijden ook. Edele trots op niet-weten heeft nadelen in een geglobaliseerde kenniseconomie: de vrucht van ons wetenschappelijk onderzoek wordt vooral in het buitenland geplukt. Als je geld wilt verdienen met wetenschap, moet je voor je intellectueel eigendom opkomen. Een oude wet zegt: Voor iets wat je niet weet, kun je geen octrooi aanvragen. En als je geen octrooi hebt, dan plukken anderen de vrucht van jouw werk. Als de wetenschap niet een manier vindt om te formuleren wat zij wél weet, dan is er geen oplossing voor het probleem dat het uitstekende wetenschappelijk onderzoek in Nederland wel erg weinig bijdraagt aan de Nederlandse economie.

Het innovatieplatform, dat zich over deze kwestie buigt, maakt zich terecht zorgen over de stagnerende innovatie. China gaat met de resultaten op de loop van onze 'herhaalde experimenten en een vrij toegankelijke discussie tussen vakgenoten'. Dijkgraaf staat in een eerbiedwaardige westerse traditie, maar de tijden veranderen. China heeft in dit tijdsgewricht niet alleen de economische voordelen van veel kapitaal en goedkope arbeid. De Chinese filosofie heeft ook altijd al een vollediger waarheidsopvatting gehad. Zij waren van oudsher ook geïnteresseerd in wat ze wél weten:

'Wat is kennis?

Te weten dát ge het níét weet, wanneer ge het níét weet

en te weten dát ge iets weet, wannéér ge iets weet,'

aldus de Chinese wijsheidsleraar Confucius (Gesprekken, Boek 2/17). De kunst van het weten begint met vast te stellen wat je niet weet, maar dan moet je doorstoten naar wat je wel weet. Dat is niet zomaar een grappige, exotische wijsheid, het is een veel betere basis voor succes in de kenniseconomie. Met haar stokoude kennistheorie heeft de Chinese economie de beste papieren voor de komende jaren.

Respectievelijk directeur van de Internationale School voor Wijsbegeerte en hoofdredacteur Filosofie Magazine.

    • Daan Roovers
    • René Gude