Brokjes

Een studente geneeskunde doet onder pseudoniem verslag van haar stage. Vandaag trekt het halve dorp aan haar voorbij.

In het smalle dorpsstraatje minder ik vaart en vind ik precies voor nummer twaalf een parkeerplek. De deur van de praktijk staat open. Als ik binnenstap, struikel ik bijna over twee klompen op de deurmat. Ik kijk de wachtkamer in. Het ruikt er naar stro. In de hoek zit een oud mannetje met een pet op. Zijn wangen zijn schraal en verweerd, zijn ogen felblauw. Onder zijn modderige spijkerbroek steken twee rode wollen sokken uit.

“Anne Hermans?“ De assistente wenkt me vanachter een soort toonbank. “Welkom. Jacco zit al op je te wachten.“

Via de “apotheek', een smalle gang met aan beide kanten planken vol doosjes, lopen we naar de spreekkamer. Ik wil mijn vinger langs de stoffige planken halen, maar bedenk me net op tijd. In de spreekkamer staan drie Lundia-boekenkasten, een ijzeren bureautje, een onderzoeksbank en een bijzettafeltje, afgeladen met instrumenten. Aan de muur hangen vergeelde foto's van giraffen en olifanten.

Dr. Peters (zeg maar Jacco) ziet eruit alsof hij rechtstreeks uit het oerwoud komt. Zijn haar staat in pieken overeind. Onder zijn kaki afritsbroek draagt hij bergschoenen. De mouwen van zijn witte overhemd zijn opgerold. Alleen zijn vierkante brilletje valt uit de toon.

In het ochtendspreekuur trekt het halve dorp aan me voorbij. Het mannetje op sokken, een 82-jarige veehouder, heeft een liesbreuk maar weigert zich te laten opereren. “Wie melkt dan de koeien?“ Daarna volgen drie verkouden kinderen, een psychotische vrouw, vier griepjes, twee hechtwonden en een bouwvakker met rugpijn. De laatste patiënt van vanochtend is een blonde vrouw van een jaar of dertig. Ze heeft last van brokkelige afscheiding.

Peters leidt haar naar de onderzoeksbank. Mevrouw gaat liggen en trekt haar benen op. “Ga je gang“, knikt hij naar me en loopt de kamer uit.

Voorzichtig breng ik de eendebek in, neem de kweek af en staar ongemakkelijk naar het wattenstaafje vol witte brokjes. En nu? Naar welk laboratorium stuur je zoiets op, vraag ik me af, als Peters de kamer weer instapt, een gigantisch apparaat in zijn handen. Mevrouw gaat rechtop zitten. Hij zet de microscoop naast haar op de bank, en reikt me een glaasje. “Veeg hier maar op af en leg het eronder.“

Ik aarzel even. Mevrouw zit halfnaakt naast me, haar benen bungelend over de rand. Terwijl ik door de microscoop tuur, babbelen Peters en zij over de nieuwe supermarkt in het dorp.

“Ik zie een soort draden“, zeg ik. Peters knikt: “Candida“ en draait zich om naar mevrouw. “Je hebt een schimmeltje. We geven je er een crême voor.“

Zodra mevrouw de kamer uit is, komt de assistente binnen. Peters schuift wat papieren opzij en ze zet een dienblad vol verse broodjes op zijn bureau. “Lust je boerenmelk“, vraagt ze. “We kregen het van die patiënt van vanochtend.“

“Ik lust alles“, grijns ik, en hou mijn beker bij. Dit co-schap mag eeuwig duren, denk ik, terwijl ik mijn melk achterover sla. En plotseling valt me op, dat de microscoop en het glaasje nog steeds op de onderzoeksbank staan, ongeveer een halve meter bij me vandaan. “O ja, dit is geen supermarktmelk, dus er kunnen wat brokjes in zitten“, lacht de assistente, terwijl ze me op de rug klopt.