Andrej Tarkovski, de meester van het nachtbewustzijn

In de serie over mensen die hem inspireren schrijft Willem Jan Otten deze maand over de droomdoorschoten films van de Russische regisseur Andrej Tarkovski.

Eind jaren zeventig interviewde ik Andreas Burnier. E-mail bestond nog niet, dus hadden we in een café afgesproken om mijn versie van ons gesprek te corrigeren - zij woog haar woorden nauwkeurig omdat zij, zoals altijd, iets te vertellen had gehad wat haaks op de tijdgeest stond, - iets over mystiek en rationalisme, naar aanleiding van haar essay-boek De zwembadmentaliteit.

Toen we klaar waren, en ik opgelucht, ontspon zich een gesprek waarin ik haar opbiechtte aan buien van acute verveling te lijden. Ik noemde het geen 'depressie', want daar leed familie van mij aan, en dat was slopender dan wat ik toch vooral als mijn 'buien' beschouwde.

Maar Andreas Burnier keek mij ernstig aan, en ook een beetje vrolijk. Droom je wel eens, vroeg ze.

Ja, zei ik, beducht dat ze zou vragen waar dan zoal van.

En, vroeg ze.

En?

Verveel je je in je dromen?

Ik denk dat ik in de lach ben geschoten.

Dromen kunnen verschrikkelijk zijn. Maar vervelend...

Begrijp je? zei ze. In je dromen, je nachtbewustzijn, kun je je niet vervelen, daar ben je altijd aangesloten op emoties.

Het hart

Iemand wordt een Held van je Geest, omdat hij je jezelf leert kennen. Burnier is voor mij zo'n held, zij bracht eerbied bij voor de redenen van het hart, om met Pascal te spreken. In deze aflevering gaat het evenwel om de Russische filmer Andrej Tarkovski (1932-1986). Hij is de onbetwiste meester van wat Burnier het nachtbewustzijn noemde. Hij heeft van een van zijn grootste collega's, Ingmar Bergman, een meesterlijk compliment gekregen: 'Tarkovski beweegt zich vrijer dan enig ander door de vertrekken van de droom'.

Het is een intrigerende gedachte - dat ons innerlijk een huis zou zijn, met vertrekken, en dat sommigen over de gave beschikken zich daar doorheen te bewegen als een filmende gids. Minstens zo intrigerend is het dat genoemde Tarkovski zijn droomdoorschoten films heeft gemaakt in een rationalistische staat, de Sovjet-Unie, waar dromen alleen serieus werden genomen als ze nuttig waren, te weten blakend van economische voorspoed.

Terwijl Tarkovski achter het ijzeren gordijn zijn eerste vijf meesterwerken maakte (Iwans Jeugd (1962), Andrej Roebljov (1966), Solaris (1972), De spiegel (1974) en Stalker (1979) waren er ook in het Westen filmers verwikkeld in verwante pogingen om 'vormen van bewustzijn' te verkennen - Buñuel, Bergman, Antonioni. Ik denk dat weinig filmliefhebbers van mijn generatie hun invloed zullen onderschatten - maar voor mij geldt dat ik pas na Tarkovski's Stalker (gezien in 1989) ben gaan beginnen te begrijpen hoezeer ik de filmkunst nodig heb om (een betere formulering schiet me niet te binnen) in mij zelf af te dalen.

Ik bedoel dit niet LSD-achtig; het woord 'trip' of 'trance' is hier precies verkeerd. Tarkovski bezorgt je geen roes. Hij bezorgt je iets dat mensen vreselijk nodig hebben sinds zij kunnen missen. Dat is 's mensen geheimzinnigste vermogen, missen. Weten dat iemand dood is en hem toch in je nabijheid ervaren. Of: weten dat iemand elders is, en hem toch voor je zien. Of zelfs: iemand nooit gezien hebben en hem toch in een ruimte, of een voorwerp, of een stukje brood aanwezig stellen.

Contemplatie

Dit is ongetwijfeld de lastigste aflevering van Mijn Helden tot dusver, want wat Tarkovski je bezorgt is: een contemplatieve houding, en die is van alle houdingen de minst afdwingbare. Op geen enkel terrein is de toeschouwer zo vrij om zijn schouders op te halen als hier. Geweld in een film maakt dat je haren overeind gaan staan: je leeft mee ondanks je zelf. Seks idem dito: je zenuwstelsel doet alsof wat je ziet echt is, je wordt gereageerd. Contemplatie daarentegen is zonder dwang. Wel vooronderstelt zij een ontvankelijkheid, en bereidheid tot deelname bij de toeschouwer, en die vooronderstelt weer de aanwezigheid van iets wat wel de Geest wordt genoemd, zo men wil zelfs: Heilige Geest. De ongrijpbare wind die kan opsteken in zelfs het meest verdorde, afgestompte en verveelde hart.

Het probleem met dit volstrekt onaanschouwelijke, nergens elders dan in het verborgene van mensen opstekende briesje is dat het alleen daar kan waaien waar mensen bereid zijn zich door te laten waaien. Er is hier een aanzienlijk kip-en-ei-probleem, waar zelfs de Wereldkerk geen uitputtend antwoord op heeft. Tarkovski doet er nog een schep boven op door zijn hoofdpersonen aanvankelijk volstrekt afkerig te laten zijn van alle Geest. De ikonenschilder Roebljov is zo verbijsterd over de lawine van oorlogsmisdaden die hij om zich heen ziet (en waar hij betrokken bij raakt) dat hij liever stierf dan inspiratie kreeg voor een nieuw kunstwerk: hij zweert zelfs nooit meer te zullen spreken...

De schrijver Gortsjakov uit Nostalghia (1983), die in Italië in ballingschap leeft maar, ondanks zijn snerpende heimwee niet naar huis wil, verspeelt de liefde van zijn vriendin door zich verregaand in te leven in een godsdienstwaanzinnige die zichzelf met benzine overgiet en in brand steekt...

En toch zijn het juist deze malaises, die de toeschouwer een zeker aanknopingspunt bieden. Nostalghia begint met een modieuze, door haar hakken zwikkende vrouw die in een kapel kijkt naar vrouwen die bidden voor een Madonna. De koster vraagt haar of ze een kind wil, 'of juist de genade er geen te krijgen?'

De vrouw zegt dat ze alleen maar wil kijken. 'Helaas, er gebeurt hier niets als iemand afgeleid is', zegt de koster. De vrouw vraagt wat er dan zou gebeuren. 'Wat je het hardst nodig hebt'. De vrouw probeert op de knieën te gaan. Vergeefs, ze voelt zich bespottelijk.

Even later loopt ze stuurs en kribbig weg. Als ze omkijkt ziet ze de biddende vrouwen - en dan grijpt het plaats, het Tarkovskiaanse droombeeld: een vrouw schuift de doek voor de buik van de Madonna vandaan - en uit de buik komen kwetterend honderden piepkleine vogeltjes gevlogen.

Een droom is voor de verdorde een wonder, want in een droom is alles emotie. Onze vrouw komt niet tot knielen, zo gemakkelijk maakt Tarkovski het haar niet, integendeel, haar malaise is nu pas echt begonnen, haar diepe verongelijktheid komt bloot te liggen. Maar een wonder blijft het, zelfs al zouden we weten dat de vrouwen vóór ze gaan bidden zelf de vogeltjes in de Madonna hebben gestopt. Wonderen zijn vaak volstrekt verklaarbaar, maar dat maakt ze niet minder wonderlijk.

Het wonder is namelijk dat de geest door de biddende vrouwen waait, ze krijgen 'wat ze het hardst nodig hebben'.

Bestaansangst

Er zijn meer filmers geweest die schaamteloos de verdorring van moderne mensen hebben geënsceneerd. Het opzienbarende aan Tarkovski is dat hij zelfs hun larmoyantie serieus neemt. Hij oordeelt niet, zo lijkt het - omdat hij voortdurend nog iets ziet: hun bestaansangst. Die toont hij in hun uitgesponnen, nauwkeurig gefilmde droomscènes. Het is wonderbaarlijk om te ontdekken dat mensen daar, waar alles angst of verdriet of verlangen, 'emotie', is, ten enenmale niet middelmatig, niet banaal, niet dor kunnen zijn. Zelfs in het meest apocalyptische nachtbewustzijnbeeld van Het Offer (1985), de film die Tarkovski voltooide terwijl zijn fatale hersentumor hem al folterde, is zijn alter ego levender, ontvankelijker dan in zijn overdagse dorheid.

Tarkovski heeft tal van scènes gefilmd die zich in mijn herinnering zijn gaan gedragen als dromen die ik hoogst persoonlijk heb gedroomd. Ik bedoel niet dat ik van zijn films ben gaan dromen zoals van, zeg, gewelddadige of seksueel expliciete films die door mijn hoofd zijn gaan dolen.

Neem, uit Stalker, de volgende beeldenreeks: de uitgeputte titelheld is in een moeras op een polletje gaan liggen; de camera maakt zich van zijn hoofd los en begint aan een langdurig traject loodrecht boven een duim diep, traag stromend water; onder water blijken, half overwoekerd door waterplanten en bladeren, voorwerpen te liggen: een injectiespuit, een snipper reproductie van Van Eijcks Lam Gods te Gent, een roestig pistool... Onze blik maakt een schijnbaar eindeloze reis over het wateroppervlak en keert weer terug bij het hoofd van de man die nu echt slaapt.

Het doet er merkwaardig weinig toe of dit letterlijk de juiste herinnering is - het gaat om de precisie waarmee het beeld zich aan me opdringt zodra ik het me herinner - veel preciezer dan andere filmbeeldherinneringen van om het even welke andere filmmaker. Ik kan Tarkovski's beeld enigszins duiden: wat je onder water ziet liggen, dat zijn relikwieën van mensen die in het moerasland, de 'Zone' genaamd, zijn omgekomen tijdens hun poging om in het hart van het gebied een geheimzinnig huis te bereiken. Deze relikwieën zijn de dingen die je in het uur van je dood nodig kunt hebben.

Maar de betekenis van het beeld is minder belangrijk dan het feit dat ik denk het mij zo uitzonderlijk nauwkeurig te herinneren. Of dit waar is, is compleet onbewijsbaar. Innerlijke aanschouwing is als een zeepbel ongrijpbaar. Zodra je zou denken: hé, dit aanschouw ik, is het verdwenen. En van dit ongrijpbare is wat Tarkovski biedt de filmische evocatie, of zo u wil: incarnatie. Dit is allemaal zeer geheimzinnig. Het heldhaftigste filmoeuvre van de tweede helft van de vreselijke twintigste eeuw bestaat uit volstrekt particuliere, uit maar één enkel bewustzijn afkomstige nachtbewustzijnrelieken. Zijn dromen hebben bakken vol geld gekost, en een maniakale vastberadenheid, om ze gerealiseerd te krijgen. Ze zijn mijn dromen geworden; ze heffen een bepaald soort eenzaamheid op - die van een tot buien van verveling en dorheid geneigde man.

Er is geen filmer die beter begrepen heeft wat ik het hardst nodig heb. Zoals alle grote kunst is ook deze religieus - ze stoelt op een mysterieus vertrouwen: als dat zij zal waaien, eens, de Geest.

Tarkovski's oeuvre is in de betere videotheek te krijgen op Artificial Eye en Mosfilm. Ik zou beginnen met Andrej Roebljov. Zijn meeslepende filmessay De verzegelde tijd is verschenen bij de Historische Uitgeverij Groningen (1986).

De vorige helden in Ottens serie waren: Blaise Pascal, Jorge Luis Borges, René Girard, Fjodor Dostojevski, Robert Bresson, Czeslaw Milosz, Joost van den Vondel en C.S. Lewis.