www.nrc.nl/leesclub

Dit is de laatste aflevering van de Leesclub over ‘De pianiste'. Volgende week begint de discussie over ‘Sneeuw' van Orhan Pamuk.

Hugo Brandt Corstius bewijst met zijn bijdrage aan de Leesclub dat het juist géén goed idee is om eerst de film te zien en dan het boek te lezen! Na de film kàn de inhoud van het boek geen indruk meer maken, niet meer verrassend zijn. De grote lijn van het verhaal, de verwrongen persoonlijkheid van de hoofdpersoon, haar seksualiteit, de verstikkende moeder, de fascinatie voor Klemmer - al deze gegevens zijn al bekend en hoeven niet meer ontdekt te worden. Het boek-na-de-film moet het nu alleen hebben van eventueel niet in de film opgenomen passages, en van de taal. Door deze verkeerde volgorde zet je het kunstwerk op zijn kop.

Ikzelf vond het boek werkelijk schitterend! Ik las het in 1989. Verschrikkelijk, rauw, vol gewelddadige gevoelens en eigenlijk krankzinnig. Maar zo schoon, zo mooi, zo intens. Van eenzelfde indringendheid en net zo schokkend als toen ik destijds Wolkers en Van 't Reve begon te lezen. Nieuw, dat ook. Het onderwerp is bizar, maar niet zo bizar dat het niet toch min of meer bij de werkelijkheid blijkt te kunnen aansluiten. Ik schrok ervan toen ik later een interview zag met de schrijfster. Ik weet het: hoofdpersoon en schrijver moeten niet plat op elkaar gelegd worden. Maar zoveel raakvlakken had ik toch niet verwacht.

Het thema van het boek is bijna waanzinnig, maar pakt bij de keel. De taal past daar perfect bij. Afgemeten, bijtend, rijk geschakeerd, maar hard en meedogenloos. Zinnen als kogelstoten. Koel, hard, zakelijk. Het gebruik van de tegenwoordige tijd versterkt die kracht. Jelinek gebruikt veel woorden en veel zinnen om haar effect te sorteren, maar geen woord, geen zin is te veel.

Die taal is zo rijk, zo afwisselend, zelfs bijna poëtisch te noemen door de manier waarop ieder los woord de verscheurdheid en wreedheid in zich lijkt te dragen. Daar heeft de vertaalster Tinke Davids trouwens veel aan bijgedragen.

Wat blijft daarvan over wanneer je de film al hebt gezien? Daar kàn eenvoudig weinig van overblijven. De rijke taal blijft rijk, maar is zijn zuigkracht kwijt. De schokkende gebeurtenissen hebben hun kracht verloren omdat ze nu allang bekend zijn. De hoofdpersonen hebben hun misvormingen al laten zien, je verwacht niets anders. De spanning gaat verloren.

Ik heb de film ook gezien - jaren na het boek dus. Knap bewerkt, goed geacteerd. Gelukkig had ik niet meer zo'n heldere herinnering aan het boek dat het verstorend werkte. Maar ik miste ook veel wat mij in het boek geraakt had - allerlei scènes ontbraken, andere herkende ik niet meer precies of waren in mijn herinnering en beleving anders.

Dit boek maakte hem ongelukkig, schrijft Hugo Brandt Corstius. Gelukkig maar, het wekte dus toch een emotie op. Ikzelf werd er destijds absoluut niet ongelukkig van, wel door gefascineerd. Misschien was ik zelfs wel verheugd, blij om zo'n prachtig boek gelezen te hebben. Ik vond het - net als destijds Van 't Reve - met het eigen bloed geschreven. En dat komt maar zelden voor, zo geraakt worden.

Ik vind het boek een meesterwerk!

Nelleke Hellingman, Twisk

‘Wie wil weten wat er gebeurt kan beter de film gaan zien' , schreef Hugo Brandt Corstius naar aanleiding van De pianiste. Maar ik heb in de inderdaad schitterende film van Michael Haneke helemaal niet gezien wat er gebeurt met het gefnuikte talent Erika Kohut. Ik heb een volstrekt andere vrouw gezien: de beeldschone pianolerares Isabelle Hupert met wie iedere student wel een liefdesrelatie zou willen beginnen.

In het boek is Erika een afstotelijke, nogal dikke vrouw van 36 die zich wanstaltig kleedt. ‘Knap is Erika niet. Had ze knap willen zijn, dan was dat door haar moeder meteen verboden', schrijft Jelinek. En over de kleren die ze draagt: ‘Erika's geruite plooirok komt precies tot op de knie, geen millimeter eronder of erboven. Daarbij een zijden overhemdblouse die, qua omvang, Erika's bovenlijf precies bedekt.'

De seksscènes in het boek zijn extra ondraaglijk om te lezen als je je voorstelt hoe monsterlijk Erika eruit ziet. Voortdurend vraag je je af wat de motieven zijn van haar sportieve jonge minnaar Walter Klemmer. Hij moet minstens even pervers zijn als Erika, en dat blijkt uiteindelijk ook tijdens zijn - niet in de film verwerkte - wandeling door het Weense Stadtpark.

Tot de onsmakelijkste passages in het boek behoort de mislukte vrijpartij in de bezemkast van het conservatorium (in de film gesitueerd in de kleedkamer van Walters ijshockeyclub). In de film ziet Erika er in haar lichte regenjas normaal en zelfs begeerlijk uit. In het boek heeft ze een nieuw aangeschaft Tiroler wandelkostuum aan. ‘Erika heeft een paar stevige wandelschoenen gekocht [...]. Ze heeft een sportieve geruite blouse aangetrokken, een kraagloos folkloristisch jasje, een knickerbocker en daarbij rode kniekousen.' Klemmer raakt daar bepaald niet opgewonden van: ‘Zijn ogen flaneren kalmpjes over namaakfolkloristische knopen en een kleine zilveren horlogeketting (eveneens namaak en in jagersstijl), die gewapend met hertentanden over Erika's buik hangt.'

Erika is niet alleen innerlijk weerzinwekkend, ook uiterlijk, vooral nadat ze haar zinnen op Klemmer heeft gezet. Ze tuigt zich op als een circuspaard, schrijft Jelinek, en ‘ziet niet de onverhulde spot van de mensen'. Als ze uiteindelijk , na door Klemmer te zijn mishandeld, een mes bij zich steekt en naar haar minnaar op zoek gaat, draagt ze een korte jurk die van achteren niet dicht kan en totaal uit de mode is. Ze puilt er aan alle kanten uit. Zo uitgedost - hoe ver kun je gaan in zelfvernedering - moet ze aanzien hoe Klemmer in de stralende zonneschijn plezier maakt met meisjes van zijn leeftijd en brengt ze zichzelf een steekwond toe.

Wel even iets anders dan de glorieus ogende en door niemand bespotte Isabelle Hupert die, gehuld in avondkleding in de hal van een theater een mes in haar borst plant. Wie wil weten wat er gebeurt met het gefnuikte talent Erika Kohut, moet echt het boek lezen. De film, hoe geweldig ook, gaat over een ander personage.

Elsbeth Etty