Weiger die Nobelprijs eens!

Culturele prijzen floreren bij schandaal, betoogt een studie naar ‘de economie van het prestige'. Kunst is steeds inniger verweven geraakt met de prijzenindustrie. Geen probleem, als jury's onvoorspelbaar zijn; en als kunstenaars de prijzen serieus blijven nemen.

Zonder één wanklank is afgelopen zaterdag de Gouden Uil postuum toegekend aan Henk van Woerden - en volgens de Amerikaanse hoogleraar Engelse taal- en letterkunde James English is dat een slecht teken. Culturele prijzen floreren bij enig schandaal, zo betoogt hij in zijn tegendraadse essay The Economy of Prestige: Prizes, Awards, and the Circulation of Cultural Value. Ze onderhouden een intieme relatie met ophef en omstredenheid, zonder daardoor in hun aanzien te worden aangetast. Ze ontlenen, integendeel, hun legitimiteit aan de bereidheid van mensen zich over hun toekenning op te winden.

Nu was er bij de uitreiking van de Vlaamse literaire prijs aan Van Woerden alle reden tot piëteit. Diens voortijdige dood drukte ieder mogelijk gekrakeel bij voorbaat als onkies de kop in. En dus sprak ieder gevoelvolle woorden over een roman en een auteur die deze onderscheiding ongetwijfeld ten volle hadden verdiend.

Zo rustig gaat het er bij Nederlandse literaire prijzen niet altijd aan toe, al blijft de commotie meestal beperkt tot enige nukkigheid van de laureaat of kandidaat (Arnon Grunberg komt als prijswinnaar niet opdagen, Patricia de Martelaere wil niet op tv in beeld). Voor een serieuze prijscontroverse moeten we terug naar de voordracht van Hugo Brandt Corstius als laureaat van de P.C.Hooftprijs 1984 en de weigering van de toenmalige cultuurminister Elco Brinkman die uit te reiken.

Dat was meteen het einde van de P.C. Hooftprijs als staatstrofee. Enkele jaren later begon de prijs aan zijn tweede, nu zelfstandige leven, met als eerste winnaar alsnog Hugo Brandt Corstius. De prijs zelf bleek door alle ophef alleen maar aan prestige te hebben gewonnen. Jaren later stelde het toenmalige jurylid Cyrille Offermans in het tv-programma Andere tijden bijna nostalgisch vast: ‘Het komt niet vaak voor dat schrijvers zo serieus genomen worden.'

In The Economy of Prestige komt de P.C.Hooft-rel niet voor. Het boek kijkt voornamelijk naar de Engelstalige wereld, met een enkel uitstapje naar de Franse, en uiteraard naar de internationale ‘moeder' van alle moderne literaire onderscheidingen, de Nobelprijs. En ook voor die laatste geldt dat hij zich pas dankzij een fiks schandaal in de internationale aandacht had weten te manoeuvreren. De gedoodverfde winnaar Tolstoj moest het al bij de eerste uitreiking afleggen tegen de inmiddels vrijwel vergeten dichter Sully Prudhomme. De losbarstende kritiek werd door het Nobelprijscomité zo hoog opgenomen, dat het tot aan zijn dood stijfkoppig is blijven weigeren Tolstoj te bekronen.

Ieder jaar leverde dat weer stof tot verontwaardiging op, die de Nobelprijs zeer ten goede kwam. Want, aldus English, nog beter dan een schandaal is een jaarlijks terugkerend schandaal. Zo werd ook de Engelse Booker Prize in het begin van zijn bestaan van een voortijdig einde gered door een reeks ophefmakende gebeurtenissen die de naam ervan op de voorpagina's van bijna alle Britse kranten bracht.

Het ‘dankwoord' waarin laureaat John Berger in 1972 zijn verzamelde society-publiek voor neo-kolonialen uitmaakte en de helft van het prijzengeld beloofde over te maken naar de Black Panthers, zette de toon voor een fikse polemiek. Het vertrek, kort daarop, van tv-persoonlijkheid Malcom Muggeridge uit een jury die slechts ‘pornografie' voorgeschoteld kreeg, gooide nieuw olie op het vuur. En driemaal werd scheepsrecht met de aanvaardingstoespraak van laureaat J.G. Farrell in het daaropvolgende jaar. Wij zien uit naar de dag, zo verklaarde een revolterende Farrell, waarop mijnwerkers ‘meer prioriteit zouden genieten dan zakenlieden en rijken niet langer bevoorrecht onderwijs kunnen kopen voor hun kinderen.'

Pinter

Begin 1974, zo schrijft English, kon de Booker Prize zichzelf feliciteren met een stijgende aandacht in de pers - zoals het Nobelprijscomité zich het afgelopen jaar ongetwijfeld gelukkig heeft geprezen met de felle Bush-bashing aanvaardingstoespraak van prijswinnaar Harold Pinter. Enkele jaren later zou de BBC ertoe overgaan de uitreiking van de Booker Prize direct uit te zenden, en daarmee was de status ervan bezegeld. Tot in verre buitenlanden worden nominaties, geruchten en de oordelen van de jury gevolgd alsof het een eigen, nationale prijs of - nog belangrijker - de uitreiking van de jaarlijkse Oscars betrof.

Die laatste, zo stelt English vast, is in veel opzichten model gaan staan voor de wijze waarop vooral de nieuwere literaire en kunstprijzen worden toegekend. Het spektakelgehalte wordt kunstmatig opgevoerd met voorronden, shortlists en de verplichte aanwezigheid van de laatst overgebleven kandidaten bij de uitreikingsceremonie. Het was dit soort celebrity sadism (zoals het bij English heet) waarvoor Patricia de Martelaere even feestelijk als vergeefs bedankte. Ironisch genoeg zorgde ze daarbij zelf voor het mini-schandaaltje dat ieder prijzenspektakel nodig heeft, hoe hooggestemd en ideëel de inzet daarvan ook is.

Merkwaardig genoeg heeft het prijzencircus volgens English echter geen gelijke tred gehouden met de nivellerende bestsellercultuur die het literaire veld is gaan beheersen. Aan de hand van de Amerikaanse Pulitzer-prijzen en National Book Awards laat hij zien dat de jury's sinds de jaren zestig zelfs veel minder gevoelig zijn geworden voor de verkoopcijfers van de door hen bekroonde boeken. Voor de veel commerciëler ogende Grammy's - voor de beste songs en cd's van het jaar - geldt sinds de jaren tachtig hetzelfde.

Hoewel English voor een flink deel van zijn analyse aansluiting zoekt bij de theorie en het begrippenapparaat van de Franse socioloog Pierre Bourdieu, volgt hij hem niet in zijn pessimistische vaststelling dat de spektakelcultuur van het prijzencircus tot culturele vervlakking en commerciële uitverkoop van de kunsten leidt. Ontegenzeglijk is het functioneren van het culturele ‘veld' steeds inniger verweven geraakt met de ‘industrie van prijzen', waarvan het aantal in de afgelopen decennia duizelingwekkend is toegenomen. English becijfert dat er momenteel meer filmprijzen worden uitgereikt dan er jaarlijks wereldwijd aan avondvullende speelfilms wordt geproduceerd. In de boekenbranche is het nog niet zover, maar ook daar is het aantal onderscheidingen sinds de jaren zeventig exponentieel toegenomen. In de VS is de verhouding tussen nieuwe (fictie-)titels en literaire prijzen momenteel 1 op 10.

Deze hele mallemolen van prestige, en dus ook van de commerciële betekenis daarvan, steunt echter op de illusie van een minimale betrouwbaarheid. Een prijs die bij voorbaat beschouwd wordt als een doorgestoken kaart, een jury die zich zichtbaar laat leiden door de belangen van de sponsors of een winnaar die onbeschaamd hengelt naar de eer, verliezen precies datgene wat zij de kunst-consument pretenderen te bieden: een eerlijk oordeel over artistieke merites. Alleen op die voorwaarde is de lezer, filmbezoeker of schilderijenkoper bereid hen te volgen.

Doorploegen

Meer dan platte sensatiezucht is het dit prestige dat bij een prijs vraagt om ophef en schandaal, en dus ook om eigenzinnige en onvoorspelbare jury's, aldus English. Het is het zegel van hun authenticiteit en betrouwbaarheid - zoals de onwil van kunstenaars om aan dit circus mee te doen dat voor hen is. De prijs functioneert alleen als minstens de schijn van belangeloosheid wordt gehandhaafd, en dat lukt alleen als die belangeloosheid er ook in redelijke mate is. Vandaar dat al die juryleden in literaire prijzen steeds maar weer bereid zijn om tientallen of zelfs honderden boeken door te ploegen, tegen een vergoeding die soms nauwelijks opweegt tegen hun kosten, laat staan hun arbeidstijd. En vandaar dat schrijvers die zich werkelijk geëerd willen weten, ten opzichte van hun prijs altijd een zekere distantie in acht moeten nemen.

Aan dat laatste begint het volgens English echter gaandeweg te schorten. Kunstenaars spelen het half-serieuze prijzenspel steeds beter mee. In hun wereldwijsheid, die zich ostentatief niet meer wars toont van commercie, ondermijnen zij de ernst die zij vanuit hun wereldvreemde onschuld en idealisme nu juist aan de prijs zouden moeten verlenen. Zodra de postmoderne knipoog van het beter-weten op het podium komt te staan, valt de bodem onder de illusie weg.

Dat vrijwel niemand meer de moeite neemt een prijs te weigeren, is volgens English dan ook een veeg teken. Sartres afwijzing van de Nobelprijs en Buñuels minachting voor de Oscar waren statements die vandaag de dag ridicuul dreigen te worden in hun pretentie van artistieke of ideologische superioriteit. De postmoderne kunstenaar weet wel beter, en zou dan ook niets begrijpen van het commentaar van Brandt Corstius op de toenmalige ministeriële weigering: ‘[Een prijs niet krijgen] is een grotere eer dan een prijs wel krijgen.' Men zou de deze week bekend gemaakte nominaties van de Libris-prijs het liefst een lekker sappig schandaaltje toewensen.

James F. English: The Economy of Prestige. Prizes, Awards, and the Circulation of Cultural Value. Harvard University Press, 409 blz. euro 30,50