Verraad is de beste trouw

Een van de meest omstreden figuren uit de Tweede Wereldoorlog was de Rus Andrej Andrejevitsj Vlasov (1900-1946). Generaal van het Rode Leger, oorlogsheld, verdediger van Kiev en Moskou, in 1942 krijgsgevangen gemaakt tijdens de gruwelijke slag om Leningrad en daarna overgelopen naar de Duitsers. Hij werd de leider van een comité ter bevrijding van de volkeren van Rusland en hij stelde zich aan het hoofd van een Russisch leger, bestaande uit krijgsgevangenen en deserteurs, dat de Duitsers zou helpen om Rusland voorgoed te bevrijden van Stalin en het communisme. In de Sovjet-Unie gold hij sindsdien als de verrader bij uitstek. Na de Duitse capitulatie droegen de Amerikanen hem over aan de Sovjets en in augustus 1946 werd hij in Moskou, samen met een aantal van zijn officieren, geëxecuteerd. Het merendeel van zijn manschappen verdween in de Goelag Archipel.

Ook na de val van het communisme is Vlasov omstreden gebleven, omdat hij zich de facto niet alleen tegen Stalin maar ook tegen Rusland had gekeerd. Ondanks zuiveringen en terreur was Stalin erin geslaagd de overgrote meerderheid van de Russen achter zich te krijgen ter verdediging van het vaderland. Dat kwam mede door de houding van de nazi's, die de Russen beschouwden als Untermenschen en navenant behandelden. Ook Vlasov heeft dat mogen ondervinden, want lang niet alle nazi's (onder wie Hitler zelf) waren geporteerd voor een actief meevechtend Russisch leger, in weerwil van de evidente militair-strategische voordelen. Nog in 1943 werd Vlasov door SS-leider Himmler uitgemaakt voor een ‘schoft', omdat hij zo overmoedig zou zijn geweest officieren van de Wehrmacht uit te nodigen in een door hem te bevrijden Leningrad.

Toch was het een jaar later uitgerekend Himmler die, vermoedelijk om opportunistische redenen, de vorming van een Russisch bevrijdingsleger daadwerkelijk mogelijk maakte, ook al bleef het moeizaam gaan en was het, gezien de situatie aan het front, al veel te laat. Het belangrijkste wapenfeit van Vlasovs troepen werd hun steun in mei 1945 aan het Tsjechische verzet bij de bevrijding van Praag - dus tegen de Duitsers. Ook Hitler werd in laatste instantie door Vlasov verraden, ongetwijfeld in de hoop op deze manier steun te vinden bij de westerse Geallieerden die - zo luidde de redenering - er weldra achter zouden komen dat Stalin het tegendeel was van een betrouwbare bondgenoot.

De hele zaak is gecompliceerd genoeg om van een tragedie te spreken. Dat maakt het lot van Vlasov en zijn mannen ook voor de literatuur interessant, te meer daar gedetailleerde kennis over de hoofdpersoon vrijwel ontbreekt. De Franse slavist Jean-Christophe Buisson tracht in de leemte te voorzien met zijn historische roman Il s'appelait Vlassov (2004), waarvan onlangs in de fraaie reeks ‘Oorlogsdomein' een uitstekende Nederlandse vertaling is verschenen onder de titel Hij heette Vlasov. Een titel die als zodanig al het taboe doorbreekt dat jarenlang in de Sovjet-Unie rustte op de naam van de ongelukkige generaal. Wie weet hoevelen enkel door het uitspreken ervan tot een enkele reis Siberië zijn veroordeeld.

In de roman worden de woorden ‘Hij heette Vlasov' uitgesproken door een oude kluizenaar, die in West-Siberië wordt ondervraagd door de jonge Franse journalist Aurélien Dorfer. Op zoek naar Russische ‘oudgelovigen', is hij toevallig bij deze Vladimir Koloemov terechtgekomen, een extreem lange, aan wodka verslingerde negentigjarige die zich van de buitenwereld heeft afgezonderd. Hij blijkt een jeugdvriend van Vlasov te zijn geweest en is bereid zijn bezoeker van alles te vertellen over zijn vriend, wiens lot hij ook tijdens de oorlog - tot aan de capitulatie - had gedeeld. Hij weet alles van de ellende in de moerassen bij Leningrad, van de vorming van het comité en van het bevrijdingsleger, van Vlasovs hoop en wanhoop (die vaak in wodka werd gesmoord), en hij blijkt allerlei documenten te hebben die hij Dorfer graag ter beschikking stelt. Uit Koloemovs verhalen en die documenten, aangevuld met de gedachten van Dorfer zelf, bestaat de roman.

Vlasov placht Koloemov zijn ‘geweten' te noemen. Dat komt goed uit, want zo kan zijn geschiedenis iets meer diepte krijgen. Bij verraad wordt het geweten aan het werk gezet - dat mag je althans veronderstellen. Maar in hoeverre Vlasov zelf door gewetensnood werd gekweld, blijft onduidelijk. Uit de roman komt hij naar voren als een geboren soldaat, iemand die van zichzelf zegt: ‘Ik ben alleen geschikt voor de oorlog, daarbuiten voel ik me verloren'. Koloemov daarentegen deinst er niet voor terug om met een brede zwaai het verraad uit te roepen tot ‘dé kwestie van deze eeuw' , een visie die de empathische journalist al gauw blijkt te delen, want hij schrijft: ‘Iedereen pleegt verraad (...) Waarom? Omdat het dikwijls de beste manier is om trouw te blijven'. Dat valt natuurlijk nog te bezien, maar het is waar: in een eeuw als de 20ste, een eeuw vol ideologische voetangels en klemmen, is het soms moeilijk om géén verraad te plegen. Was Stauffenberg een verrader toen hij zijn mislukte poging deed om Hitler te vermoorden? Was Marlene Dietrich een verraadster omdat zij voor de geallieerde troepen zong?

Het verschil met Vlasov is dat híj zich tegen Stalin keerde en tegelijkertijd Hitler omarmde, een andere dictator, van wie het Russische volk evenmin iets goeds te verwachten had. Door de duivel met Beëlzebub te bestrijden verlaat je de hel nog niet! In de roman van Buisson is bovendien ook in de privé-sfeer van allerlei verraad sprake, in verband met een vrouwengeschiedenis waarbij zowel Koloemov als Vlasov betrokken is, en in verband met Vlasovs doodvonnis in 1946. Hier regeert echter de fantasie van de schrijver, zonder dat de historische gegevens (die voorzover ik het kan overzien in grote lijnen kloppen) er nu erg veel méér reliëf door krijgen. De meeste aandacht in deze verzonnen passages gaat bovendien uit naar de eveneens verzonnen Koloemov, en niet naar Vlasov.

In feite heeft de roman al die verzinsels helemaal niet nodig om te boeien. Daarvoor is de geschiedenis van Vlasov dramatisch en intrigerend genoeg. En Buisson toont zich een vaardig verteller, die op papier uitstekend raad weet met de verschrikkingen van de oorlog, met de onzekerheid van de Russische militairen die in krijgsgevangenschap hun lot met de Duitsers trachten te verbinden, en met hun desperate positie tussen de fronten in die daarvan het gevolg is. De ruime aandacht voor Koloemov wordt in de ontknoping nog wel even gerechtvaardigd door de suggestie dat deze ‘alcoholische reus' niemand anders is dan Vlasov zelf - die dan langs geheel onopgehelderde weg de dans zou zijn ontsprongen. Maar dat oogt te zeer als het konijn uit de hoge hoed van de goochelaar om te overtuigen. Gelukkig is het ook te zeer een toegift om de goede indruk van de roman als geheel teniet te doen.

Jean-Christophe Buisson: Hij heette Vlasov. Vertaald door Marieke van Laake. De Arbeiderspers. Oorlogsdomein nr.16. 207 blz. euro 21,95