Verlichting in rood en groen

De bankierszoon James Loeb hield van de oudheid en wilde begin vorige eeuw de klassieken onder de mensen brengen. De kritiek op zijn tweetalige ‘Classical Library' verstomde al gauw; onlangs verscheen deel 500. De scabreuze passages van Suetonius of Catullus worden niet meer gecensureerd

In 1925 verleende de Universiteit van Cambridge een eredoctoraat in de Letteren. De Latijnse woorden van de promotor - omnibus Paradisum redonavit , ‘hij heeft allen het Paradijs teruggegeven' - zullen in de aula met instemming zijn ontvangen, want de wapenfeiten van de persoon om wie de ceremonie draaide waren alom bekend. In een tijd waarin het Grieks en Latijn vreemde talen dreigden te worden en voorbehouden leken aan een kleine selecte groep, had hij het initiatief genomen om literaire teksten uit de oudheid in tweetalige edities uit te brengen. In 1912 verscheen het eerste deel, in 2006 het 500ste. In de tussenliggende jaren is aan de uitvoering nauwelijks iets veranderd: het zijn nog steeds dezelfde handzame boekjes van 20 bij 11 centimeter, met een harde groene omslag voor de Griekse auteurs en een rode voor de Latijnse. En allemaal met datzelfde mooie logo: de godin Athene gezeten op haar troon, met naast zich haar schild met daarop de letters LCL (Loeb Classical Library) en in haar hand een beeld van de overwinningsgodin Nikè.

De man die werd onderscheiden voor zijn baanbrekende werk was James Loeb, een in 1867 geboren Amerikaan, telg uit een vermogende bankiersfamilie, die tijdens zijn rechtenstudie meer geestdrift aan de dag legde voor de Griekse en Romeinse cultuur dan voor zijn opleiding. In 1888 was hij toegetreden tot het bankbedrijf van zijn ouders, maar echt gelukkig werd hij er nooit. Herhaaldelijk moest hij, uitgeput door zware depressies, zijn werkzaamheden onderbreken. In 1905 zei hij de firma vaarwel, vertrok naar Duitsland en vestigde zich in Beieren.

De psychische inzinkingen hebben het leven van Loeb een andere wending gegeven, maar afgaande op het resultaat van zijn inspanningen in de volgende jaren kun je de ommekeer in zijn leven zeker geen verslechtering noemen. In de dertig jaar dat hij in Duitsland heeft gewoond heeft hij zijn oude liefde voor de klassieken opgepakt en met hart en ziel gewerkt aan de realisering van wat hij beschouwde als de grote opdracht in zijn leven: het vinden van een weg om de klassieke auteurs onder de mensen brengen. In een van de eerste delen legde hij uit wat hem bezielde om zo'n groot project van de grond te tillen: hij wilde de schoonheid, de geleerdheid, de filosofie en de humor van de Griekse en Romeinse schrijvers in tweetalige uitgaven, ontdaan van de wetenschappelijke zwaarte van een uitgebreid tekstkritisch commentaar, toegankelijk maken voor een breed publiek. In 1910 was de financiering rond en kon hij vertalers gaan zoeken, het formaat en de typografie van de boeken vaststellen en in overleg treden met de Duitse uitgeverij Teubner om tekstedities uit dat fonds in zijn tweetalige reeks te mogen opnemen.

Niet iedereen toonde zich even verheugd over de komst van de nieuwe edities. Sommige classici spraken van een afbraak van de oude talen, overtuigd als ze waren dat teksten uitsluitend in de originele versie gelezen moesten worden. Een vertaling geeft immers geen juist beeld van de taal van de schrijver, omdat de vertaler zich als het ware tussen de schrijver en de lezer wringt, waardoor de kracht van het origineel verloren gaat. Maar de kritiek werd al snel overstemd door de adhesiebetuigingen van andere classici, die inzagen dat het niet iedereen was gegeven om de teksten in het Grieks en Latijn te lezen. Loeb verdiende alle lof omdat hij de wegzakkende kennis van de oude talen nieuw leven inblies en de wereld van de oudheid naderbij bracht.

Nadat in 1912 de eerste deeltjes het licht hadden gezien, kwam het hele project in een stroomversnelling. Uitgever Heinemann verklaarde zich bereid tien tot twaalf boeken per jaar uit te geven, en van dat schema werd in de jaren daarna niet afgeweken. James Loeb zelf verging het minder goed. Of het kwam door de spanningen of door overwerktheid, rond 1920 stortte hij in en moest hij de regie aan anderen overlaten. Hij heeft daarna nooit meer de intense werkkracht van de voorgaande jaren aan de dag gelegd. In 1933 stierf hij. De Loeb Classical Library omvatte op dat moment bijna driehonderd boeken. In zijn testament liet Loeb de serie en een bedrag van driehonderdduizend dollar na aan zijn Alma Mater, de Universiteit van Harvard. Zo kwam de Harvard University Press in beeld en tot op de dag van vandaag worden daar nieuwe delen gepubliceerd.

Loeb kwam er al in een vroeg stadium achter dat vertalen een kunst op zich is en dat een grote wetenschappelijke kennis van de antieke literatuur nog geen garantie biedt voor een goedlopende vertaling. Sommige vertalingen beantwoordden niet aan zijn verwachtingen, omdat de vertalers uit respect voor het origineel de grondtekst sterk in hun weergaven lieten doorklinken of gewoon literair tekortschoten. Wie vandaag de dag de vroegste vertalingen leest, wordt getroffen door de zwaarte van de woordkeus en de sterke gebondenheid aan het origineel. Maar het meest in het oog springend zijn de coupures in de Engelse vertalingen. Het gaat dan altijd om passages waarin obsceniteiten worden beschreven. Antieke auteurs die zonder gêne over seks schreven, werden het doelwit van de zuiveringsdrift van de redacteuren. Een van de ‘slachtoffers' van het snoeimes is de Romeinse auteur Suetonius (69-140), de biograaf van de keizers uit de eerste eeuw. Onverbloemd spreekt hij over het seksuele leven van zijn hoofdpersonen en hij geeft daarbij pikante details. Als hij het heeft over de uitspattingen van keizer Tiberius op het eiland Capri, komt hij te spreken over zijn omgang met kleine jongetjes (caput 44): quasi pueros primae teneritudinis, quos pisculos vocabat, institueret, ut natanti sibi inter femina versarentur ac luderent lingua morsuque sensim adpetentes. In de Nederlandse Suetonius-vertaling van D. den Hengst (Amsterdam, Athenaeum, 1996) worden de woorden aldus weergegeven: ‘zo zou hij pasgeboren kinderen, die hij ‘visjes' noemde, geleerd hebben om, terwijl hij in bad zat, tussen zijn benen te spelen en hem zacht te likken en te bijten'. En wat staat er in de eerste Suetonius-uitgave van de Loeb Classical Library? Niets, de Engelse vertaling ontbreekt, op de plaats waar de vertaler zijn tekst had moeten invullen, zijn de Latijnse woorden van de linkerbladzijde weergegeven.

Enkele scabreuze passages in de comedies van de Atheense schrijver Aristophanes (425-380 v.Chr.), de schuttingtaal in de gedichten van Catullus (84-54 v.Chr.) en het tongzoenen in de liefdesroman van Achilles Tatius (tweede of derde eeuw) zijn evenmin aan de puriteinse zuiveraars ontkomen. Maar de methoden die de saneerders hanteerden waren niet altijd dezelfde. De in de ogen van de uitgevers al te kwetsende passages van Martialis (40-104), een epigrammendichter die met grote trefzekerheid intieme details aan zijn lezers voorschotelde, zijn wel vertaald, alleen niet in het Engels. Midden in de Engelse vertaling staan ineens enkele Italiaanse zinnen. Naar het waarom van deze beslissing kan ik slechts gissen, zoals het ook moeilijk te achterhalen is waarom van sommige erotische passages ook de Latijnse tekst is weggelaten en vervangen door stippeltjes. Een enkele keer vond een vertaler dat een prikkelende passage node kon worden gemist, maar hij paste hem wel zo aan dat de Engelse woorden nauwelijks tot uitdrukking brachten wat de Latijnse tekst suggereerde.

Maar dit was de uitgeefpolitiek van de beginjaren en de vertalingen uit die tijd hebben nu alleen nog antiquarische waarde. Ze zijn de een na de ander vervangen door nieuwe, waarin de onkuis geachte passages gewoon zijn opgenomen. Verder is de taal gemoderniseerd, aangepast aan de tijd. Sommige vertalingen lezen natuurlijk prettiger dan andere en de ene vertaler blijft dichter bij de originele tekst dan de andere. En je kunt je afvragen of het een goede beslissing is geweest om dichters als Homerus en Horatius in proza en niet in versvorm te vertalen. Een tekst omzetten in een andere taal is niet alleen het verhaal van de auteur overdragen, het is ook de lezer inwijden in de taal van de dichter. Homerus in proza is toch iets anders dan in metrische hexameters.

De vijfhonderd groene en rode Loeb-deeltjes omspannen de klassieke oudheid van Homerus in de negende, achtste eeuw voor Christus tot Procopius in de zesde eeuw van onze jaartelling. Veertien eeuwen beschaving, verwoord door de klassieke auteurs en omgezet in begrijpelijk Engels. Ze vertellen het boeiende verhaal van de oude geschiedenis, van de Homerische heldenwereld tot de ondergang van het Romeinse rijk, nu eens met veel omhaal van woorden, dan weer kort en krachtig, soms verfijnd, diepzinnig of met gevoel voor understatement en soms humoristisch. Geen auteur, hoe onbekend ook, wordt gemeden. In dat verlangen naar volledigheid schuilt echter ook het gevaar dat onbekende auteurs die de lezers nauwelijks aanspreken weinig gelezen worden, met alle denkbare financiële consequenties. De Loeb Classical Library is enkele malen langs de rand van de afgrond gegaan, maar de crises konden telkens worden bezworen. De laatste dateert van de jaren zeventig van de vorige eeuw, toen de animo voor de klassieken was teruggelopen en de verkoop van de Loebs stagneerde. Maar door een terughoudend uitgeefbeleid slaagde de uitgever erin orde op zaken te stellen. Sindsdien gaat het de reeks goed, mede door een krachtige opleving van de interesse voor de klassieke beschaving. De tijd dat de klassieken als oud en versleten werden beschouwd ligt ver achter ons.

Aan de verkoopcijfers van de verschillende Loebdeeltjes kan de smaak van het lezerspubliek worden afgemeten. Ik ben op de websites van enkele grote Amerikaanse verzendboekhandels nagegaan welke teksten het populairst zijn. De meest verkochte Loeb is De Gallische Oorlog van Julius Caesar. Het ooggetuigenverslag van de hoofdrolspeler in de Romeinse veroveringsoorlog in Gallië in het midden van de eerste eeuw voor Christus spreekt blijkbaar vele mensen aan. Ook Xenophon, die rond het jaar 400 v.Chr. meetrok met de Perzische prins Cyrus om zijn broer Artaxerxes van de troon te stoten en van die expeditie en van de moeilijke terugkeer van de tienduizend Griekse huurlingen een indringend verslag heeft gemaakt, doet het goed. De heldendichten van Homerus, de dialogen van Plato, de redevoeringen en filosofische verhandelingen van Cicero en de geserreerde geschiedschrijving van Tacitus scoren eveneens hoog. Opvallend genoeg geeft de website van de Loeb Classical Library een iets andere rangorde. Plato staat op één met onder andere de dialoog Phaedo, waarin de dood van zijn leermeester Socrates wordt beschreven, Vergilius' Aeneis, het verhaal van de zwerftochten van de Trojaan Aeneas na de verwoesting van zijn vaderstad, volgt als tweede en Caesars verslag van de Gallische Oorlog neemt de derde plaats in.

Het succes van de Loeb Classical Library heeft uitgevers in vele landen gestimuleerd om ook klassieke teksten in vertaling uit te brengen. Maar anders dan Loeb hebben de meeste van hen zich beperkt tot vertalingen zonder de originele teksten. Alleen de karakteristieke gele Budé-uitgaven in Frankrijk en de Tusculum Bücher in het Duitse taalgebied zijn consequent tweetalig. Maar ook de vertalingen zonder Griekse of Latijnse teksten hebben hun weg naar de lezers gevonden. In de Angelsaksische wereld zijn de Penguinvertalingen een geduchte concurrent van de Loebs geworden, ondanks of juist door de keuze van de uitgevers om van minder bekende auteurs met een omvangrijk werk op hun naam niet de integrale tekst maar alleen de meest relevante stukken uit te geven. Het is een uitgeefpolitiek die weerklank heeft gevonden, ook in ons land met zijn lange vertaaltraditie die teruggaat tot Coornhert, Vondel en Hooft. Bijna alle klassieke auteurs zijn wel een keer vertaald, de grote schrijvers zelfs verscheidene malen, integraal of in een weloverwogen bloemlezing uit hun werk, de minder bekende soms in fragmenten van maar enkele regels. Uitgeverij Athenaeum heeft de meeste vertalingen uitgegeven, gevolgd door Ambo. Maar de laatste jaren hebben ook andere uitgevers zich op de klassieken geworpen; de Historische Uitgeverij, Damon en Voltaire hebben het zelfs aangedurfd auteurs uit te geven die niet direct tot de traditionele canon van grote klassieke auteurs gerekend mogen worden, soms zelfs in tweetalige edities.

Maar de Loebs zijn een begrip gebleven. Zeventig jaar na zijn dood is het concept van de grondlegger van de reeks nog springlevend. Nog altijd worden nieuwe auteurs toegevoegd aan de alsmaar uitdijende lijst. Het vijfhonderdste deel, gewijd aan de Romeinse redenaar Quintilianus (30/40-100 na Chr.), rolt dezer dagen van de pers. Naast nieuwe zullen gereviseerde vertalingen het licht zien, want het is met een vertaling als met het leven: de tekst wordt oud, sterft als het ware af en wordt vervangen door een nieuwe. De enige constante is de authentieke Griekse of Latijnse tekst. Die blijft onveranderlijk, als een ‘monument duurzamer dan brons' dat het verdient telkens opnieuw te worden gelezen, in welke vorm ook.

Onlangs verscheen bij Loeb de ‘Classical Library Reader' ( 10,-), een boekje in zakformaat met daarin tweetalige fragmenten van 33 Griekse en Romeinse auteurs, van Homerus tot de kerkvader Hiëronymus. Boekhandel Athenaeum in Amsterdam, die de hele Loeb-reeks in voorraad heeft, viert de verschijning van het vijfhonderdste deel in de maand april met een kortingsactie. Fik Meijer is hoogleraar oude geschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam.