‘Vergeet niet 't verhaal te vertellen'

De Vlaamse schrijver Stefan Brijs ontving de publieksprijs van de Gouden Uil voor zijn roman ‘De engelenmaker' over een contactgestoorde embryoloog. Vorige week werd hij genomineerd voor de Librisprijs. Gesprek met een verhalenverteller die zijn vorm gevonden heeft.

Stefan Brijs Foto Vincent Mentzel Stefan BRIJS,auteur,met houten Mariabeeld uit Curacao.foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Amstelveen, 15 maart 2006 Mentzel, Vincent

Bijna kreeg Stefan Brijs het te kwaad, zaterdagavond bij zijn dankwoord voor de ‘prijs van de lezer' van de Gouden Uil, die hem even eerder was toegekend. Hij haalde een brief tevoorschijn van een lezeres die hij een paar dagen tevoren had ontvangen en waarin deze beschreef hoe ze De engelenmaker maar niet weg kon leggen. ,,Dagen nadien dwaalt dit diep donkere schokkend en toch zeer ontroerende boek door mijn hoofd’, las hij voor. En, voegde hij er zelf aan toe, met een slik: ‘Dat is wat ik wil: mensen raken, mensen ontroeren.’

En mensen raken, dat doet de De engelenmaker. Twee dagen na de uitverkiezing door de Vlaamse lezers volgde maandag een nominatie voor de Librisprijs. Eerder al werden de Duitse, Griekse en Italiaanse vertaalrechten verkocht en werd een optie op een verfilming genomen. Bovendien lijkt de roman er een te zijn die zich al fluisterend een weg door de wereld baant, van leden van de Rotary Amsterdam-Noord (‘Ik heb het al drie keer gelezen’) tot universitair docenten Filosofie (‘Dat boek over die klonende dokter? Dat is me nu al door drie verschillende mensen aangeraden.’) Zo lijkt Brijs (1969) met de publicatie van zijn vierde roman de status van literair talent definitief te kunnen verruilen voor die van gearriveerd auteur, als een van de aanvoerders van de nieuwe generatie Vlaamse schrijvers, waartoe ook Dimitri Verhulst en Annelies Verbeke behoren.

De engelenmaker begint als een dorpsroman, waarin het draait om de verhouding tussen een dorpsgemeenschap en een bewoner die ze moeilijk kunnen plaatsen. Gaandeweg worden daar steeds meer thema's in geïntegreerd: het boek wordt een studie naar rede, religie, waanzin, wetenschap, liefde en verlatenheid. Brijs vertelt het levensverhaal van Victor Hoppe, een contactgestoorde embryoloog die er van droomt God ‘het nakijken te geven' en die erin slaagt zichzelf te klonen. Met de aldus geproduceerde drieling gaat hij terug naar zijn geboortedorp, waar hij probeert zijn experiment tot een goed einde te brengen. De rampzalige gevolgen worden door Brijs precies uit de doeken gedaan, zonder te vervallen in sentimentaliteit of moralisme.

De Engelenmaker is zo gelaagd en zo aangrijpend dat je je afvraagt wat Brijs voor ogen stond toen hij aan het boek begon. ‘Iets anders, inderdaad’, zegt Brijs in een Amsterdams café. ‘Oorspronkelijk was het niet de bedoeling om een roman over goed en kwaad te schrijven, want dat is toch waar het om gaat. Ik wist wel dat ik iets over klonen wilde schrijven. In de eerste versie liet ik de drie gekloonde zonen van de dokter het verhaal vertellen als ze zestien zijn. Ze hadden dan al een verschrikkelijk leven achter de rug en zaten vol haat tegen hun vader. Na een jaar had ik het eerste deel af.’

Brijs liet zijn tekst lezen aan zijn redacteur en uitgever, Emile Brugman. ‘Die zei dat het schitterend geschreven was, maar hij maakte ook een opmerking over de vertelstem. Die was te monotoon. En hij zei: ‘pas op dat je van de vader geen monster maakt. Daar heb ik twee weken over nagedacht. Toen heb ik alles weggegooid.’

Hij begon opnieuw aan zijn roman, nu met niet langer de kinderen als centrale figuur, maar de dokter. ‘De rest van het boek heb ik eigenlijk in één keer geschreven. Ik behoor tot het genre schrijvers dat gelooft dat een boek er eigenlijk al is, dat het zichzelf schrijft. Dat gebeurde nadat ik Victor Hoppe een achtergrond had gegeven, waardoor ik zelf een groot mededogen voor hem ging voelen. Dat mededogen voelt de lezer denk ik ook. Hij overschrijdt de ene morele grens na de andere, maar het blijft een arme sukkelaar.’

Het woord mededogen zal in het gesprek nog vaker vallen. Niet alleen is het een terugkerend thema in Brijs' oeuvre, het lijkt haast een soort ideologie van de Vlaamse auteur te zijn. Brijs had voor de roman veel aan het werk dat hij deed als docent creatief schrijven in een gevangenis. ‘Daar had ik een groep van tien leerlingen. Ik wist dat er twee moordenaars bij zaten, maar aan het einde van de cursus had ik ze nog altijd niet kunnen aanwijzen. Een van die jongens hield hele verhalen over Kafka's Het proces en zijn eigen rechtszaak. Zo'n jongen is enorm intelligent, maar in zijn jeugd is er zoveel misgegaan dat hij nu in de gevangenis zit. Daardoor ben ik de daden van mensen veel beter gaan begrijpen.’

Bij al zijn mededogen is Brijs geen softe schrijver: ‘Ik probeer de lezer uit te dagen, te zien hoe ver die met me mee wil gaan. Kafka vond al dat een boek moet schokken, als een bijl die in je hoofd klieft. Ik zou ook een boekje van 100 bladzijden kunnen schrijven met een paar erotische scènes erin en daarna een grote bek opzetten, maar dat is niet wat ik wil.’

‘Door dit boek heb ik mijn vorm gevonden. Ik ben een verhalenverteller die zijn stijl eenvoudig moet houden. In mijn debuut, De verwording, heb ik me overgegeven aan mooischrijverij, maar intussen was ik vergeten het verhaal te vertellen. Toen wilde ik nog schrijven als Jeroen Brouwers, wat natuurlijk onmogelijk was. Iedere schrijver heeft een meester nodig, zoals Jeroen Mulisch had. Maar op een gegeven moment moet je die een schop verkopen en je eigen weg gaan. Mooischrijverij is voor mij het grootste gevaar. In een boek als De engelenmaker moest ik ook wel sober zijn. Er gebeurt zo veel, voor je het weet schrijf je een roman van 800 bladzijden. En dan raak je onherroepelijk mensen kwijt onderweg. Nu heeft zelfs mijn moeder - zij is een huismoeder die nooit leest, mijn vader is een gewone arbeider - het helemaal gelezen.’

Niet alleen Brijs' afkomst is volks, dat is ook zijn imago onder de vaak postmodern angehauchte Vlaamse critici. Kringen waar ‘volks' geen compliment is. ‘Laatst las ik nog in een Vlaams tijdschrift dat ik geen literatuur met een grote L schrijf. Af en toe krijg je een mes in de rug, het verandert maar langzaam.’ Brijs komt dan ook niet vaak in literaire kringen. Hij woont op het platteland in de provincie Antwerpen, met ezels op het land en onder sterke controle van de buren. Een situatie vergelijkbaar met die van de hoofdpersonen van zijn roman. ‘Er zijn mensen die over het dorp in De engelenmaker zeggen: dat bestaat toch niet meer? Zo'n conservatieve, gesloten gemeenschap. Dat zijn mensen die niet in een dorp zijn opgegroeid. Toen ik in 1990 afgestudeerd was, mocht ik niet lesgeven op de school waar ik als kind naartoe was gegaan omdat ik niet naar de kerk ging. In 1990! Zo gaat het nog steeds.’

De belangrijke rol die religie speelt in De engelenmaker - de hoofdpersoon wordt deels gedreven door godsdienstwaanzin - is geen gevolg van een langdurige worsteling met het geloof. Gevraagd naar zijn eigen religiositeit, zegt Brijs: ‘Ik ben misdienaar geweest.’ Veel meer was het niet, zijn ouders gingen in de loop der jaren steeds minder naar de kerk. ‘Wat me wel fascineert is wat er in de bijbel staat. Al in mijn debuut komt een vrouw voor die op basis van het Oude Testament concludeert dat God slecht moet zijn. Dat doet Victor Hoppe in dit boek ook. En als je alles letterlijk neemt, dan zit daar ook wat in. Dat boek is een bron voor fundamentalisme.’

Niet lang na het verschijnen van De engelenmaker barstte de affaire rondom de frauderende Koreaanse kloon-onderzoeker Woo-Suk Hwang los. ‘Het was alsof mijn roman tot leven kwam’, zegt Brijs. Hwang maakte eigenlijk hetzelfde mee als Victor Hoppe in mijn boek. Ik heb bewust geen oordeel over kloononderzoek willen vellen in mijn boek. Als het gaat om het kweken van stamcellen die het mogelijk maken om leukemie de wereld uit te helpen, is iedereen vóór, maar het is de vraag waar je de grens trekt. Ik weet niet wat ik zou doen als ik wetenschapper was en het talent en de mogelijkheid had een mens te klonen. Het lijkt me erg moeilijk om het dan niet te doen.’