Tot de roodgloeiende kern van het leven

‘Wantrouw schrijvers die zich vastklampen aan grote onderwerpen [...] Ze zijn net als degenen die hun baard laten staan om hun te korte kin te verbergen.' Aldus de Italiaanse dichter-prozaïst Umberto Saba (1883-1957), van wiens oeuvre een omvangrijke bloemlezing in het Nederlands is verschenen. Deze woorden, die als een beginselverklaring kunnen worden opgevat, staan in Breviaturen, sterk gecondenseerde stukjes proza die voornamelijk voor de krant werden geschreven en later, aangevuld met kleine verhalen, in boekvorm verschenen. Interessant en in schijnbare tegenspraak met voornoemde woorden was Saba's overtuiging dat zijn Breviaturen niet minder vertegenwoordigden dan ‘het boek van de twintigste eeuw, zoals Candide het boek was waarin de achttiende eeuw is samengebald,' zoals hij in een brief aan zijn dochter schreef. Een staaltje van grootspraak. Veel stof heeft Breviaturen en kleine verhalen (geschreven tussen 1934 en 1948) namelijk niet doen opwaaien. Het is een weinig opzienbarende verzameling mijmeringen en maximes over geschiedenis, wagnerianen, medici, kunst, agressie, Nietzsche, waanzin (‘een droom waaruit men niet wakker wordt'), Svevo, politici, Eros, ontgoochelingen en Italië (‘het paradijs van de reactionairen'). Soms stuit je wel eens op een behartigenswaardige gedachte (‘Ik zie in dat wie het wezenlijke wil bewaren, van veel afstand moet doen'), maar er worden ook veel open deuren ingetrapt.

Met andere woorden: wantrouw schrijvers die beweren dat men schrijvers moet wantrouwen die zich aan grote onderwerpen vastklampen. Umberto Saba, die samen met Montale, Ungaretti en Quasimodo tot de pléiade der 20ste-eeuwse Italiaanse dichters behoort, heeft in zijn werk met grote intensiteit het alledaagse en de eenvoud gecelebreerd. Sober, direct, helder, concreet, eerlijk, sereen, naakt, ongepolijst: dat zijn de etiketjes die veelvuldig op vooral de poëzie van Saba zijn geplakt. Maar het zijn ook simplificerende kwalificaties. Het is waar dat Saba, die niet eens een middelbare-schoolopleiding voltooide, in zijn lyriek en proza een anti-intellectualistische en anti-suggestieve toon en teneur nastreefde. Bij hem geen pompeuze muzikaliteit à la D'Annunzio, en evenmin complexe analogieën en associaties zoals bij zijn ‘hermetische' tijdgenoten Montale en Ungaretti. In de onvoltooid gebleven en postuum uitgegeven autobiografische novelle Ernesto omschrijft Saba het taalgebruik van zijn jonge alter ego Ernesto als ‘onomwonden' en een voorafschaduwing van wat later zijn eigen stijl zou worden: ‘het doordringen tot in het hart van de dingen, tot in de roodgloeiende kern van het leven [..] zonder overbodige omhaal van woorden.'

Doordringen tot de roodgloeiende kern van het leven: dat zijn woorden die paradoxaal genoeg plechtstatig en allerminst laag-bij-de-gronds klinken en tevens getuigen van een grootse opdracht. In een van Saba's beroemdste gedichten, ‘Aan mijn vrouw', schuilt diezelfde spanning tussen een huiselijke, transparante toon en een verheven, bijbelse dimensie. In zeven strofes bezingt hij als in een canto van St. Franciscus zijn vrouw door haar respectievelijk met een hen, een vaars, een teef, een konijn, een zwaluw en een mier te vergelijken. Het is een haast infantiele benadering, zo gemeenzaam als de dichter hier met zijn materiaal omgaat. En tegelijkertijd koestert hij de ambitie met die kristallijne klanken diepere lagen aan te boren. Hier gebeurt wat Saba in zijn Breviaturen over Dante oppert: ‘Alleen daar waar het kind en de man, in de meest extreme vorm, in dezelfde persoon samengaan, ontstaat [..] het wonder: daar ontstaat Dante. Dante is een klein kind dat zich voortdurend verbaast over wat een waarlijk groot man overkomt.' In de Nederlandse vertaling van het gedicht gaat het contrast tussen het onopgesmukt kinderlijke en het bedachtzaam volgroeide, tussen de eenvoudige woorden en de ietwat gekunstelde syntaxis verloren. In de originele versie komt veel inversie voor, waardoor de lexicale eenvoud verdiept én verzwaard wordt, maar in de vertaling van Bloemen en Massa ontbreekt die kunstgreep.

Zigeunerjongetje

Bij dat andere beroemde gedicht van Saba, ‘De geit' (vertaald door Benno Barnard), creëert Saba een identiek effect, maar ditmaal door de combinatie van enerzijds spreektaal en anderzijds eindrijm en herhalingen. In het Nederlands wordt die confrontatie tussen realisme en lyriek, tussen spontaniteit en ernst opnieuw amper zichtbaar; nu niet omdat de toon al te familiair wordt zoals in ‘De hen', maar juist omdat ze té gedragen klinkt door gezochte woorden als ‘getuierd'. De bedrieglijke eenvoud van Saba blijkt moeilijk te vertalen te zijn. Waar Barnard af en toe de plank misslaat door ongewone woorden als ‘blasfemist' (voor ‘uno che bestemmia': iemand die vloekt) en ‘helleveeg' te kiezen, daar slaagt zelfs de gerenommeerde vertaalster Ike Cialona er niet altijd in de juiste toon te treffen. Haar vertaling van fragmenten uit de bundel Autobiografia demonstreert een ingenieuze rijmbehandeling, maar boet daardoor soms in aan souplesse en eenvoud. Dat veel gedichten niet meer dan een schouderophalen bewerkstelligen ligt echter niet aan de vertalers. Saba's weemoedige liefdesverklaringen aan ‘levens die haast niet spreken' (dieren, planten, kinderen) roepen af en toe het schilderijtje van het huilende zigeunerjongetje op. In het gedicht ‘Bij een portret van mij als kind' lezen we bijvoorbeeld: ‘Jochie, wat was je mooi; wat doet het leven / ons toch veranderen!' Of in ‘Voedster': ‘O moederbron van vreugde, aan jou dank ik / de gouden blijdschap die mijn zang dooradert.'

Bevredigender zijn de gedichten uit de mooie bundel Ultime cose (1935- 1943), waarin Saba de fauna op stal laat en de knapen op school, en in plaats van die luchtspiegelingen van geluk de lezer verrast met pregnante (zinne)beelden van melancholie en verlies: een rafelende rookpluim, een gebroken ruit, een wegrijdende trein, een herfstblad dat door de wind en de straatveger wordt meegevoerd. Terecht heeft samenstelster Yolanda Bloemen vooral uit die bundel geput.

Het is opvallend hoe vaak de woorden ‘droef' (of ‘droefenis') en ‘zoet' voorkomen in Saba's gedichten. Ze zijn de vaandels van twee contrasterende levenshoudingen: enerzijds het sombere bewustzijn van de smartelijkheid van het bestaan, en anderzijds de gretige omhelzing van het leven. Saba poogt die tegenstellingen te verzoenen in zijn poëzie, die op z'n best zowel ‘canto' als ‘racconto' (vertelling), zowel ‘gravitas' als gratie verraadt. Het hybride karakter van zijn verzen weerspiegelt de gespleten persoonlijkheid van Saba. Als kind van een joodse moeder en een (afwezige) christelijke vader heeft hij in zijn leven en werk rusteloos gependeld tussen zwaarmoedigheid en zaligheid, tussen gekweld narcisme en vrolijk hedonisme, tussen ethiek en esthetiek, tussen poëzie en proza, tussen traditie en vernieuwing. Daarnaast was hij ook nog eens biseksueel en bovenal Triëstijn in hart en nieren.

Tot 1918 maakte Triëst nog deel uit van het Oostenrijks-Hongaarse rijk, daarna werd er van alle kanten aan gerukt, door de Italianen, door de Joegoslaven, door de geallieerde troepen (vlak na de Tweede Wereldoorlog). In de ogen van Saba was de kosmopolitische havenstad tijdens zijn jeugd een paradijs, een smeltkroes van Italianen, Slaven, joden, Duitsers, Grieken, Levantijnen en Turken, maar sinds de Eerste Wereldoorlog veranderde het voor hem in een hel. Het Triëst dat hij in vele gedichten en verhalen bezingt, is vooral het Triëst van zijn kinderjaren. De ‘stuurse gratie' die hij de stad toedicht, is een karakteristiek die ook in hemzelf is aan te treffen. De stad en haar zoon, ze spiegelen zich in elkaar, en dat leidt soms tot grote weemoed, maar ook wel eens tot tumultueuze bewondering, zoals in de schitterende prozaschets ‘Het getto van Triëst in 1860'. Anders dan bij zijn poëzie pakt Saba hier uit met een flamboyant, rijk geschakeerd taalgebruik dat kolkt van de komma's en bijzinnen, en als zodanig het onstuimige en kleurrijke leven weerkaatst van het joodse getto met zijn handelaars, zwendelaars, winkeltjes, synagoges en bordelen.

Kantoorbediende

Ook in de korte roman Ernesto vibreert het Triëst van Saba's jeugd mee op de achtergrond. Bovendien zijn de dialogen pikant gekruid met triestino, het plaatselijke dialect. Dat laatste (wat in de vertaling niet tot uitdrukking komt) werd door Saba aangegrepen als reden om het in 1953 in een kliniek geschreven werk niet te publiceren. Het lijkt echter eerder plausibel dat dit besluit te maken had met de onverbloemde (homo)seksuele lading van dit versluierd autobiografische verhaal over de puberteitsjaren van de auteur, zoals Yolanda Bloemen opmerkt in het nawoord van Voor de vogels en een vriend. De eerste drieste schreden van de adolescent Ernesto op het liefdespad liegen er niet om: hij laat ‘hem in zijn kont steken' (zo sec en rauw staat het er) door een arbeider, staat toe dat dit nog een paar keer gebeurt, tot deze intimiteit hem de keel uithangt en hij zijn oudere minnaar bars terzijde schuift. Intussen probeert hij futloos carrière te maken als kantoorbediende van een handelsfirma terwijl hij zich gretig overgeeft aan dagdromerijen. Na de affaire met de man en een hoerenbezoek raakt hij in de ban van een vijftienjarige jongen die net als hij viool speelt. In een bijna pijnlijk directe stijl doet Saba verslag van de vergissingen en verwarring van een jongeman die ‘vervuld van angst en nieuwsgierigheid' zijn heil zoekt in provocaties en wilde zinnelijkheid. Zonder vader (die al vóór zijn geboorte ervandoor ging) en met een bezorgde maar kille moeder als nutteloze gids baant hij zich nu eens struikelend en dan weer resoluut een weg door het leven.

‘Zijn kracht en zijn zwakheid scholen hierin dat hij zich, voor zover mogelijk, liet zien zoals hij werkelijk was,' schrijft Saba over zijn jonge alter ego. Die kenschets zou je ook kunnen loslaten op het oeuvre van de schrijver zelf. Soms schrijnt en ontroert zijn streven naar integriteit en sereniteit. Maar soms is zijn ‘poesia onesta' zo kaal dat ze banaal wordt, en soms gaan zijn verhalen zo recht op hun doel af, dat ze het niveau van een anekdote amper ontstijgen. Ja, soms wens je dat Saba zo verstandig was geweest zijn kin te verbergen onder een virtuoos getrimd baardje, zo eentje als zijn grote tegenstrever, de estheet Gabriele D'Annunzio, had.