Rechter heeft weer kritiek op toezicht

De rechtbank heeft zich weer kritisch geuit over het gedrag van toezichthouders in de voorkenniszaak rond Veer Palthe Voûte. Deze zaak is een van de grootste die in Nederland voor de rechter zijn gekomen.

In haar vonnis van gisteren over een van de voormalige directieleden van de bank Veer Palthe Voûte (VPV) wordt gesteld dat de toezichthouders onvoldoende slagvaardig hebben gehandeld en nagelaten hebben actie te ondernemen toen zij door de bank werden geïnformeerd over gevoelige overnamebesprekingen.

Daarnaast is het volgens de rechtbank onterecht dat De Nederlandsche Bank en de Autoriteit Financiële Markten een voormalig directielid van de bank nog steeds uit zijn beroep weren wegens een gebrek aan vertrouwen. Verdachte M. Palthe werd samen met de reeds vorig jaar veroordeelde directeur J.R. Voûte in april 2003 op staande voet ontslagen op aanwijzing van de toezichthouders. ‘Het mogelijk nog bestaande standpunt van de toezichthoudende autoriteiten dat de betrouwbaarheid van verdachte ‘niet langer buiten twijfel staat', kan niet enkel op basis van het resultaat van deze strafzaak worden gehandhaafd’, stelt de rechtbank in haar vonnis. Daarmee laat de rechtbank zich ongevraagd uit over een beroepsverbod van de toezichthouders waar de bestuursrechter binnenkort een oordeel over moet vellen.

De rechtbank achtte gisteren voormalig directeur M. Palthe schuldig aan handel met voorkennis - niet als privé-persoon maar als bestuurder die ‘feitelijk leiding’ gaf aan handel met voorkennis door VPV. Maar de rechter besloot geen straf op te leggen omdat Palthe al zo ‘zwaar gestraft’ is.

De bank handelde in 1999 in aandelen van beursgenoteerde beleggingsmaatschappijen. In dezelfde periode onderhandelde J.R. Voûte namens VPV met het ministerie van Financiën over een fiscale naheffing als VPV de beleggingsfondsen zou overnemen.

Bij de eerder veroordeelde J. Voûte werd de strafmaat vorig jaar ook verlaagd om de rol die toezichthouders hebben gespeeld. De rechtbank zag het toen als een verzachtende omstandigheid dat de toenmalige beurstoezichthouder, de Amsterdamse effectenbeurs en ‘[de top van] Financiën’ onvoldoende slagvaardig hadden gehandeld. Volgens dat vonnis had bij de toezichthouders ‘op zijn minst het vermoeden’ moeten bestaan dat Voûte in bepaalde beleggingsfondsen handelde en hadden zij hem moeten waarschuwen niet met voorkennis te handelen.

In de zaak van Voûte is hoger beroep aangetekend. Onduidelijk is of Palthe in hoger beroep gaat.