Museale Kunsthandel

Lien Heyting brengt een controversieel onderwerp onder de aandacht met haar artikel in het Cultureel Supplement van 24 maart over de grote schoonmaak in depots van de Nederlandse musea.

Daartoe in 1999 uitgedaagd door staatssecretaris Rick van der Ploeg, hebben de initiatiefnemers van de Stichting MuseumDepot.org - juist ter voorkoming van lucratieve handel door veilinghuizen - een eigentijds digitaal platform gecreëerd voor publicatie binnen het nationale en internationale museale veld van voor herplaatsing in aanmerking gekomen collectiestukken. De door de musea zelf opgestelde regels worden daarbij in acht genomen. Op basis van schenking, bruikleen, ruil of verkoop krijgen op het net aangeboden depotstukken de kans tot nieuwe waardering door opname in meer passende collecties.

Telkenmale geven musea echter voorkeur aan openbare verhandeling via Sotheby. Liet men zich eerder misschien wat al te dogmatisch uit over het vervreemden van gemeenschapscollecties, nu roepen sommige musea wel erg gauw de hulp van de commercie in.

Het door de Stichting MuseumDepot.org in samenwerking met Instituut Collectie Nederland voor de museumwereld ontwikkelde digitale registratiesysteem heeft o.a. in Afrika, Oost-Europa en India al bewezen een probaat gereedschap te zijn voor de ingezette koers van bevordering van ‘collectie-mobiliteit'. Het leent zich bovendien als effectief wapen bij identificatie van gestolen kunstobjecten. Digitale registratie - noodzakelijk voor publicatie op het net - van niet-functionerende depotstukken heeft als profijtelijke bijkomstigheid de ontsluiting van opgeslagen kunstwerken voor onderzoek en scholing, hetgeen de overheid zo graag ziet en dat door een aantal musea onvoldoende serieus lijkt te worden genomen.

Is het niet verwonderlijk, dat Nederlandse musea het beschikbare gereedschap niet zien liggen en naar de commerciële veiling spurten om hun waar te slijten? Of heeft zo langzamerhand het opstellen van een ‘mooie' winst- en verliesrekening een hogere prioriteit gekregen dan de primaire zorg voor onvervangbaar cultureel erfgoed?