Met te weinig oogkleppen

Misschien is het omdat hij zelf ook dichter is, maar Hans Groenewegen is goed voor de poëzie. In zijn tweede essaybundel, toepasselijk Overvloed geheten, bespreekt hij bijna veertig poëziebundels. Allemaal worden ze even serieus genomen en even liefdevol aan alle kanten bekeken.

Afkraken doet Groenewegen nooit, bekritiseren zelden. Hoewel het woord ‘kritieken' wel in de ondertitel van zijn boek staat, wil hij geen oordelen vellen: ‘Ik houd niet zo van het uitdelen van cijfers aan poëzie. Een dichtbundel is een aanbod van de dichter aan de lezers', schrijft hij in een essay over Geert Buelens. Dat essay kan als een intentieverklaring gelezen worden. Uit wat Groenewegen vervolgens zegt over de criticus, blijkt hoe ver zijn respectvolle houding gaat: ‘Als openbaar lezer is hij een voorlezer. Dan heeft hij de plicht er voorbeeldig op in te gaan. Poëzie die hem niet bevalt, zou hij niet moeten veroordelen, maar zien als een mogelijkheid om zicht te krijgen op zijn eigen vooroordelen. Anders verdient zijn kritiek een onvoldoende'.

Het staat er niet met zoveel woorden, maar wat Groenewegen impliceert is dat slechte poëzie niet bestaat - er zijn alleen vooroordelen. Dat is een houding die hij in zijn bundel volhoudt, en die in de praktijk betekent dat Groenewegen, liever dan te concluderen dat de poëzie van bijvoorbeeld René Huigen ‘mislukt' is, op zoek gaat naar de reden van wat hij ziet als opzettelijke ‘zelfdestructie' van de dichter.

Alleen tussen de regels valt zo nu en dan een kwaliteitsoordeel te lezen - soms met een verwijzing naar de intenties van de dichter zelf, die niet zouden zijn waargemaakt. Koos Geerds bijvoorbeeld, ‘hinkt op twee gedachten'. Slechts bij uitzondering veroorlooft Groenewegen een negatieve opmerking, zoals in een bespreking van Maarten Doorman: ‘Misschien mis ik passie'.

Zelfs uit zijn keuze valt nauwelijks een oordeel te herleiden. Ten koste van alles wil Groenewegen vermijden om bepaalde poëzie uit te sluiten. Alles mag meedoen, van de abstracte en filosofische gedichten van Erik Spinoy tot de anekdotische poëzie van Ingmar Heytze. Het is zelfs andersom: hij gaat Anne Vegter lezen omdat haar voordracht op een literair podium bij hem geen enkele esthetische ervaring teweeg brengt: die ‘directe afstoting' fascineert Groenewegen en hij concludeert: ‘buitensluiting is een inherente eigenschap van Anne Vegters poëzie'.

Groenewegen is zo redelijk dat je er kriegelig van kan worden. Als er voor de zoveelste keer iets genuanceerds staat als: ‘deze poëzie daagt uit tot herhaalde herlezing' zou je wel eens willen dat hij wat korter door de bocht zou gaan. Zelfs over Ilja Leonard Pfeijffer, zijn tegenpool, blijft Groenewegen billijk. Niet alleen geeft hij toe dat achter alle branie van Pfeijffer wel degelijk talent schuilgaat, maar vooral thematiseert hij zijn eigen onvermogen om nog helder te oordelen over deze poëzie.

Ook in de andere essays probeert Groenewegen zich rekenschap te geven van de oogkleppen waar iedereen mee leest. Op die plaatsen zijn deze kritieken ook meteen beschouwingen over wat kritiek schrijven eigenlijk betekent. Alleen bij de eerste bundel van een onbekende dichter ben je nog echt blanco, schrijft Groenewegen, daarna komt dat moment niet meer terug: ‘Elke volgende bundel vang je op in een stootkussen van verwachtingen (..)'. Soms blijkt de recensie al klaar te liggen in je hoofd als je de bundel nog aan het uitpakken bent: ‘je hoeft alleen de citaten nog in te voegen'.

Op allerlei manieren probeert hij dat stootkussen van vooronderstellingen te omzeilen. Dichters met ‘versteende' reputaties worden opnieuw tegen het licht gehouden, nieuwe ontdekkingen worden gedaan binnen wat bekend werd verondersteld, bundels worden gecontrasteerd met eerder werk van dezelfde dichter. Ook tijdens het interpreteren analyseert Groenewegen voortdurend zijn eigen aannames en hoe verblindend die kunnen werken: ‘Het oog van een lezer, zelfs dat van een zorgvuldige die zichzelf steeds verantwoordt, is afwisselend witkwast en markeerpen'.

Hoe zachtaardig Groenewegen ook omgaat met de poëzie, hij zet haar niet onaanraakbaar weg in een glazen kastje. Hij gaat ieder gedicht haast te lijf. In zijn beschouwingen gaat het niet alleen om de woorden, maar is er ook een belangrijke rol weggelegd voor de bladspiegel, de omslag van de bundel of de titel. In een bespreking van Jacob Groot is de interpretatie bijvoorbeeld gebaseerd op het motto van de bundel, een citaat uit een song van The Zombies dat Groenewegen bij het lezen door het hoofd bleef dreinen. Door die aandacht voor alles wat gewoonlijk in de marge blijft, is Groenewegens werk ‘deconstructief' in de oorspronkelijke betekenis van het woord. Niet omdat hij afbreekt wat hij tegenkomt, maar omdat hij elementen naar voren haalt die doorgaans buiten beschouwing blijven.

Om iedere dichtbundel met het vereiste respect te benaderen, zou Groenewegen het liefste hebben dat je de pagina's zelf moest opensnijden. Ieder slordig hoekje zou de beschouwer er dan aan helpen herinneren: ‘dat lezen een ingreep is. [..] hoe zorgvuldig hij ook begint er altijd weer dat ene moment is, van afwezigheid, of van overzorgvuldigheid, waarin hij iets definitief beschadigt'.

Groenewegen kan prachtig schrijven, maar zo nu en dan heeft hij het ineens over ‘enkele dominante betekeniscomplexen' die zich ‘aanbieden'. In hetzelfde essay, over Erik Spinoy, blijkt dat de dichter ‘coördinaten uit verschillende zingevingsstructuren naast en door elkaar gebruikt'. Met dergelijke zinnen is het doorbijten.

In de geest van de auteur zal ik me hier verder van de ‘traditioneel oordelende opmerking' onthouden, maar één ding is zeker: als ik dichter was, zou ik het fantastisch vinden om door Groenewegen besproken te worden.

Hans Groenewegen: Overvloed. Kritieken en kronieken over poëzie. Vantilt, 320 blz. euro 19,90