In het paradijs zijn geen mensen

In een serie over heruitgegeven klassieken deze week ‘Allen zijn ten strijde getrokken' van David Vogel (uit het Hebreeuws vertaald door Kees Meiling, Meulenhoff, 192 blz. 17,50)

David Vogel

Opnieuw is er een roman van David Vogel (1891-1944) uit het Hebreeuws vertaald. En opnieuw is het een bijzonder boek, zo bijzonder dat je je afvraagt waarom je er zo lang op hebt moeten wachten. Allen zijn ten strijde getrokken is namelijk een kamproman, geschreven in een tijd waarin het begrip ‘kamp' nog geen alom erkend synoniem was voor structurele moordpartijen op onschuldige burgers.

Net als de vorig jaar opgedoken, onvoltooide roman Suite française (in vertaling Storm in juni) van de Frans-joodse schrijfster Irène Némirovsky, geeft Allen zijn ten strijde getrokken (1941) de chaos en willekeur weer in het Frankrijk van het eerste jaar van de Tweede Wereldoorlog. Bij Némirovsky draait het in hoofdzaak om een aantal cynische leden van de Parijse bourgeoisie die in de junidagen van 1940 op de vlucht slaan voor de oprukkende Duitsers en bij wie fatsoen en menselijkheid in een paar uur verdampen. Vogels personages daarentegen zijn de ingezetenen van een Frans interneringskamp tijdens de negen maanden van schemeroorlog die aan de Duitse inval voorafgaan. Ook bij hen verliest menselijkheid het van de drang het vege lijf te redden.

Wat thematiek betreft wijkt Allen zijn ten strijde getrokken niet af van Vogels eerdere boeken. De sinds de Eerste Wereldoorlog op drift geraakte wereld, de oprukkende massa's, de mens die zijn wortels is kwijtgeraakt en niet meer met zijn medemensen een gemeenschap kan vormen, het medelijden als enig restant van die verdwenen samenleving, de werkelijkheid die alleen nog maar wordt beleefd door te lijden. Het zijn elementen waarmee je vertrouwd bent sinds in 1990 Vogels Huwelijksleven uit het niets opdook. Deze magistrale ondergangsroman uit 1930 over de noodlottige liefdesrelatie van een schlemielige joodse intellectueel met een sadistische Oostenrijkse barones in het Wenen van de jaren twintig, werd meteen op één lijn gesteld met het werk van Arthur Schnitzler en Alfred Döblin, zo'n scherp beeld gaf het van de eenzame mens in de vijandige grote stad. De tot dan toe onbekende Vogel, die in 1990 al 46 jaar dood was, werd postuum op het literaire erepodium gehesen.

In Allen zijn ten strijde getrokken moeten statenlozen en ingezetenen uit het Groot-Duitse Rijk tussen de zeventien en de vijfenzestig jaar, jood of niet-jood, nazi of communist, zich melden bij het dichtsbijzijnde interneringskamp voor buitenlanders. Weichert, de Oostenrijks-joodse ik- persoon in het boek, is een van hen. Met zijn dochtertje is hij Parijs ontvlucht om zijn vrouw te bezoeken, die in een sanatorium in Hauteville wordt verpleegd. Op een dag wordt hij opgehaald door twee sullige gendarmes, die hem meenemen naar het bureau. Hier krijgt hij te horen dat hij voor korte tijd geïnterneerd zal worden. Intussen zal een selectiecommissie zijn geval onderzoeken. De gendarmes beloven hem dat hij, als jood en vluchteling, snel zal vrijkomen.

Eenmaal in het kamp blijkt van een spoedige vrijlating geen sprake. Weichert wordt opgesloten in een vertrek met zes respectabele heren op leeftijd. Net als Weichert zien ze hun verblijf als iets tijdelijks. Maar als na een week de joodse van de niet-joodse gevangenen worden gescheiden en de joden naar een speciaal kamp worden overgebracht, neemt de werkelijkheid een rauwe wending. Binnen een paar dagen doemen de schaduwen op van het concentratiekamp zoals je dat kent uit de naoorlogse literatuur. Gevangenen zetten lucratieve handeltjes op. Er wordt een eigen rechtbank opgericht die gevangenen bestraft die elkaar te lijf gaan of beledigen. En ook is er een kampcabaret - tenslotte bevinden zich onder de gevangen enkele coryfeeën uit de Duitse variété.

Vogel beschrijft Weicherts ervaringen, die zijn gestoeld op zijn eigen belevenissen in de eerste oorlogsmaanden, als een gekmakende en slopende routine. ‘In de dagruimte rilde men van de kou, leerde talen, speelde een spelletje kaart, zette thee, bedreef wereldpolitiek, warmde sensationele geruchten op, maakte ruzie, hakte hout in kleine stukjes, maakte de kachelpijpen schoon, roosterde boterhammen, waste kleren, verkocht warme aardappelpannenkoekjes, bad het Middag- en Avondgebed voor de arke waarop een brandende kaars stond - tegenover de arke speelde men pingpong op een brede rafel die kameraad Deichmann had vervaardigd - zong in koor met gitaarbegeleiding, struinde heen en weer om de voeten warm te krijgen, stond in een lange rij voor de kantine met jampotjes om een portie warme cacao voor tachtig centimes te kopen, keek verlangend uit of misschien Poliak, de ‘minister van Post', vandaag met brieven aan zou komen zetten.' Het is een wirwar aan gebeurtenisjes die op het eerste gezicht onschuldig lijken, maar niet onderdoen voor de alledaagse werkelijkheid in een echt concentratiekamp.

Die parallel met de werkelijkheid van de nazi-kampen wordt nog sterker als Weichert opnieuw naar een ander kamp wordt overgebracht, bedoeld voor hen die geen enkele kans meer hebben om vrijgelaten te worden. In dat kamp verliest hij zijn naam en krijgt hij een nummer - zijn identiteit wordt hem afgenomen. Aan het eind van het boek heeft Weichert zijn geloof in de mensheid verloren en is hij psychisch en fysiek afgemat. Niets kan hem nog schelen. ‘De dagen duren een eeuwigheid. Elke ochtend moet ik opnieuw beginnen om te klimmen naar de andere kant van de dag, moeizaam, met handen en voeten, als bij de beklimming van een hoge berg die tot in de hemel reikt. De oorlog zal op een dag eindigen maar ik weet heel goed dat ik waarschijnlijk bewegingloos op mijn plaats zal blijven zitten, dodelijk vermoeid van alle omzwervingen. En een paradijs zal er niet zijn. Overal waar mensen zich bevinden, daar kan geen paradijs zijn.'

Kort hierna gaan de gevangenen opnieuw op transport. Hun reis voert hen naar een onbekende bestemming. En dan begint een treinreis in veewagens die zo gruwelijk is beschreven dat je alleen maar kunt denken aan de treinen die een paar jaar later miljoenen Europese joden naar de vernietigingskampen in het oosten zouden deporteren. Het besef dat David Vogel na de Franse capitulatie vrijkwam uit het interneringskamp en nog drie jaar zou leven voordat hij zelf op zo'n trein werd afgevoerd, versterkt die huivering alleen maar. Dat hij in de tussenliggende jaren nog zo'n indringend en trefzeker boek wist te schrijven over zijn kampervaringen mag een wonder worden genoemd.