In dienst van de grote soepvraag

Nu Heinrich Heine's honderdvijftigste sterfjaar wordt herdacht, stapelen de boeken over deze even briljante als vileine auteur zich op. Als brievenschrijver blijft hij onovertroffen.

De liefde voor mooie vrouwen en voor de Franse revolutie waren de twee grootste passies van zijn leven geweest, zo schrijft Heinrich Heine (1797-1856) in zijn memoires. Geen slechte combinatie ben je geneigd te denken. Maar zoals alles bij Heine moet je ook deze uitspraak met een korreltje zout nemen. Zeker, hij heeft de romantische liefde weergaloos en in al haar toonaarden bezongen. Maar opvallend vaak gaat het bij Heine om de tragische liefde, om een afgewezen minnaar - volgens zijn biografen terug te voeren tot de blauwtjes die hij als jongeling had gelopen bij twee Hamburgse nichten. Vrouwen uit de artistieke en intellectuele kring zoals George Sand, Elisa Rachel en Christine Trivulzio zagen hem - ondanks zijn hartstochtelijke liefdesbrieven - niet staan. Veel meer succes had hij bij de Schlampe (slons). In 1841 trouwde hij met de corpulente Mathilde, een Franse boerendochter die water en bloed moest zweten om spelfouten te vermijden.

Heine zag zich zelf graag als ‘een dapper soldaat in de bevrijdingsoorlog van de mensheid', zoals hij in de Reisebilder schrijft. Het ging hem om het sociale, ‘die grosse Suppenfrage'.

In Duitsland vond men hem te links, hij kreeg het aan de stok met de censuur en week uit naar naar Frankrijk. Maar in Parijs hield hij juist afstand tot de Jakobijnen en andere revolutionairen en liet hij zich de financiële steun van het bankiersgeslacht Rothschild en van de Franse regering welgevallen. Uiteindelijk stond bij Heine de autonomie van de kunst voorop, aan tendensliteratuur had hij een broertje dood. In 1838 schreef hij aan de literator Karl Gutzkow: ‘Mijn lijfspreuk blijft: kunst is het doel van de kunst, zoals de liefde het doel van de liefde, en zelfs het leven het doel van het leven is.'

Grote baard

Heinrich Heine is onmogelijk onder één noemer te vangen. Neem zijn houding tegenover het jodendom. In de bovengenoemde memoires (postuum verschenen in 1884) staat een jeugdherinnering die men als een sleutelscène voor zijn verdere leven mag beschouwen. Op de vraag aan zijn vader naar zijn opa kreeg de achtjarige als antwoord: ‘Jouw grootvader was een kleine jood en had een grote baard.' De volgende dag ging Heine naar school en vertelde het nieuwtje aan zijn klasgenoten. Hierop ontstond een groot tumult, een bijna spookachtige scène: zijn medeleerlingen bootsten dierengeluiden na, trokken de borden van de wand en wierpen stoelen en tafels om. ‘Een hels spektakel', schrijft Heine, ‘waarvan het refrein steeds de grootvader was, die een kleine jood met een grote baard was geweest.'

Heine werd verantwoordelijk gehouden voor het incident en kreeg zelfs een fikse afstraffing van de leraar. Een traumatische ervaring met verrijkende gevolgen. Heine's latere prikkelbaarheid en agressiviteit, zijn stekelige spot en melancholieke zelfironie zijn onmogelijk los te zien van het gevoel dat hij tot een gediscrimineerde minderheid behoorde. Overigens heeft Heine, die zich in 1825 protestants liet dopen, zijn joodse afkomst meestal verloochend. Van zijn ouders Samson en Betty maakte hij in officiële documenten Siegmund en Elisabeth, en in Göttingen wisten zelfs zijn beste studievrienden niets van zijn afkomst. Pas vlak voor zijn dood begon hij zich weer op zijn joodse wortels te bezinnen.

Zo raadselachtig als Heine's leven nog steeds is, zo duidelijk en onbetwist is zijn literaire rang. Naast Goethe geldt hij als de belangrijkste en meest vertaalde Duitse dichter en zijn Buch der Lieder is - mede door de toonzettingen van Schubert, Schumann of Mendelssohn-Bartholdy - een van de populairste dichtbundels uit de wereldliteratuur. Ook zijn proza zoals de Reisebilder, de polemieken met Ludwig Börne of August von Platen en zijn studie Die Romantische Schule is fris en levendig gebleven door zijn briljante stijl, magistrale humor en vileine spotzucht. Geen wonder dat Thomas Mann sprak van het ‘geniaalste Duitse proza voor Nietzsche' en dat Heine onmiskenbaar ‘anticipeert op deze filosoof'. Wie zich hiervan wil overtuigen en het Duits onvoldoende machtig is, leze overigens de drie jaar geleden bij Atlas verschenen en door Wilfred Oranje subliem vertaalde Reistaferelen.

Dit voorjaar is in vrijwel alle Duitse boekhandels een tafel voor Heinrich Heine gereserveerd; zijn honderdvijftigste sterfjaar heeft naast veel manifestaties voor een hausse aan nieuwe publicaties en heruitgaven gezorgd. In Kerstin Deckers biografie Narr des Glücks komen alle etappes van Heine's leven aan bod: zijn jeugd in Düsseldorf waar hij (vermoedelijk) in 1797 werd geboren als zoon van een textielhandelaar; zijn jaren als leerling op het advocatenkantoor van zijn schatrijke oom Salomon in Hamburg (een ‘Nero der Hochfinanz' volgens Heine); zijn rechtenstudie in Bonn, Göttingen en Berlijn en zijn vele reizen naar onder meer Italië, Engeland, Polen en Nederland (waar zijn schelmse fragment Aus den Memoiren des Herrn von Schnabelewopski is gesitueerd); zijn problemen met de censuur in het restauratieve en sterk verbrokkelde vaderland; en tenslotte zijn verhuizing naar Parijs, waar Heine bevriend raakte met Victor Hugo, de gebroeders Goncourt, Alexandre Dumas, Chopin, Berlioz en Franz Liszt. De laatste acht jaar van zijn leven was de vrijwel blinde en verlamde dichter aan het ziekbed gekluisterd, de beroemde ‘Matratzengruft', waarschijnlijk als gevolg van een geslachtsziekte.

Liefdesbrieven

Kerstin Decker maakt in haar vlotte biografie (gepresenteerd als een ‘onacademische' studie) gebruik van romantechnieken als gefingeerde dialogen, monologen en anekdoten. Helaas ontbreekt het haar aan een duidelijke visie op Heine, ook de analyse is niet haar sterke kant. Storend is het babbeltoontje waarvan de biografe zich bedient. Over zijn Hamburgse tijd schrijft ze: ‘Als het weer goed is gaat Heine aan de waterkant van het Alsterpaviljoen zitten, kijkt naar de boten en de zwanen en denkt aan zijn boek.' Wie een goede Heine-biografie wil lezen kan beter terecht bij Fritz Raddatz' Taubenherz und Geierschnabel of bij ‘Der Zweck des Lebens ist das Leben selbst' van het duo Jan-Christoph Hauschild en Michael Werner. Beide studies verschenen in 1997, maar het standaardwerk van Hauschild en Werner is nu in een goedkope editie heruitgegeven.

Aanbevelenswaardig zijn ook de twee recent verschenen keuzen uit Heine's verzamelde brieven, te meer omdat deze bundels zijn voorzien van biografische hoofdstukken. De bundel van Jan-Christoph Hauschild verdient een lichte voorkeur, niet alleen vanwege het malicieuze Heine-citaat in de titel (‘Leben Sie wohl und hole Sie der Teufel') maar ook omdat het commentaar net iets informatiever en duidelijker is. De lezer van Heine's brieven valt overigens van de ene verbazing in de andere en blijft tot op de laatste bladzijde gefascineerd. Heine is een magistrale brievenschrijver, een van de hele groten op dit gebied.

De grootste humorist onder de klassieke Duitse schrijvers grossiert ook hier in dartele invallen en snaakse ideeën. Zelfs op zijn sterfbed - uiteindelijk kon hij ‘weder kauen noch kacken' - ontbrak het hem niet aan ironie en zelfspot: ‘Ik kan mijn eigen pijnen niet vertellen zonder dat de zaak komisch wordt.' Heine hield niet, geheel anders dan bijvoorbeeld Schiller, van ‘ellenlange contemplaties', van verkapte essays in zijn brieven. Hij verzoekt zijn briefpartners dan ook om concreet te zijn, midden uit het leven te vertellen; ‘daarom heb ik de brief in negligé-gewaad duizend keer liever dan de gala-brief.'

Heine's brieven zijn ‘een thermometer waaraan men mijn gemoedsstemming kan herkennen'. Hij beheerst het gehele gevoelsscala: hij kan iemand stroop om de mond smeren en potentiële recensenten voor zijn karretje spannen, maar het intrigeren en chanteren (zijn uitgever of zijn schatrijke oom) gaat hem net zo vlot af, en soms laat hij zich ook van zijn hoffelijke en zelfs nederige kant zien zoals de brieven aan de Rothschilds of Goethe bewijzen. Ook de hartstochtelijke en jaloerse liefdesbrieven ontbreken niet, evenmin als de bezorgd-sentimentele berichten aan zijn moeder. Maar aan wie of waarover Heine ook schrijft: iedere brief is een kunstwerkje, een genot om te lezen.

Kerstin Decker: Heinrich Heine. Narr des Glücks. Biographie. Propyläen Verlag, 448 blz. euro 23,-

Jan-Christoph Hauschild en Michael Werner: ‘Der Zweck des Lebens ist das leben selbst'. Heinrich Heine: eine Biographie. Verlag Zweitausendeins, 763 blz. euro 15,-

Jan Christoph Hauschild: Heinrich Heine: ‘Leben Sie wohl und hole sie der Teufel'. Aufbau Verlag, 478 blz, euro 26,-

Bernd Füller: Heinrich Heine: ‘Und grüssen Sie mir die Welt'. Hoffmann und Campe, 448 blz. euro 26,-

Jan Christoph Hauschild: Heinrich Heine: "Leben Sie wohl und hole sie der Teufel'. Aufbau Verlag, 478 blz, €26,-

Bernd Füller: Heinrich Heine: "…Und grüssen Sie mir die Welt'. Hoffmann und Campe, 448 blz. €26,-