“Ik wil mensen ontroeren'

Stefan Brijs was niet van plan een roman over goed en kwaad te schrijven.

Maar dat gebeurde, toen hij mededogen voor de slechterik begon te voelen.

Bijna kreeg Stefan Brijs het te kwaad, zaterdagavond bij zijn dankwoord voor de “prijs van de lezer' van de Gouden Uil, die hem even eerder was toegekend. Hij haalde een brief te voorschijn van een lezeres waarin deze beschreef hoe ze De engelenmaker maar niet weg kon leggen. ,,Dagen nadien dwaalt dit diep donkere schokkend en toch zeer ontroerende boek door mijn hoofd“, las hij voor. En, voegde hij er zelf aan toe: “Dat is wat ik wil: mensen raken, mensen ontroeren“.

En mensen raken, dat doet De engelenmaker. Twee dagen na de verkiezing door de Vlaamse lezers volgde maandag een nominatie voor de Librisprijs. Eerder al werden de Duitse, Griekse en Italiaanse vertaalrechten verkocht en werd een optie op een verfilming genomen. Zo lijkt Brijs (1969) met de publicatie van zijn vierde roman de status van literair talent definitief te kunnen verruilen voor die van gearriveerd auteur.

De engelenmaker begint als een dorpsroman, waarin het draait om de verhouding tussen een dorpsgemeenschap en een bewoner die ze moeilijk kunnen plaatsen. Gaandeweg worden steeds meer thema's in geïntegreerd: rede, religie, waanzin, wetenschap, liefde en verlatenheid. Brijs vertelt het levensverhaal van Victor Hoppe, een contactgestoorde embryoloog die er van droomt God “het nakijken te geven' en die erin slaagt zichzelf te klonen. Met de aldus geproduceerde drieling gaat hij terug naar zijn geboortedorp. De rampzalige gevolgen worden door Brijs precies uit de doeken gedaan, zonder te vervallen in sentimentaliteit of moralisme.

De Engelenmaker is zo gelaagd en zo aangrijpend dat je je afvraagt wat Brijs voor ogen stond toen hij aan het boek begon. “Iets anders, inderdaad“, zegt Brijs in een Amsterdams café. “Oorspronkelijk was het niet de bedoeling een roman over goed en kwaad te schrijven. In de eerste versie liet ik de drie gekloonde zonen van de dokter het verhaal vertellen als ze zestien zijn. Ze hadden dan al een verschrikkelijk leven achter de rug en zaten vol haat tegen hun vader. Na een jaar had ik het eerste deel af.“

Brijs liet zijn tekst lezen aan zijn redacteur en uitgever, Emile Brugman. “Die zei dat het schitterend geschreven was, maar hij maakte ook een opmerking over de vertelstem. Die was te monotoon. En hij zei: “pas op dat je van de vader geen monster maakt. Daar heb ik twee weken over nagedacht. Toen heb ik alles weggegooid.“

Hij begon opnieuw aan zijn roman, nu met niet langer de kinderen als centrale figuur, maar de dokter. “De rest van het boek heb ik eigenlijk in één keer geschreven. Ik behoor tot het genre schrijvers dat gelooft dat een boek er eigenlijk al is, dat het zichzelf schrijft. Dat gebeurde nadat ik Victor Hoppe een achtergrond had gegeven, waardoor ik zelf een groot mededogen voor hem ging voelen. Dat mededogen voelt de lezer denk ik ook. Hij overschrijdt de ene morele grens na de andere, maar het blijft een arme sukkelaar.“

Brijs had voor de roman veel aan het werk dat hij deed als docent creatief schrijven in een gevangenis. “Een van die jongens hield hele verhalen over Kafka's Het proces en zijn eigen rechtszaak. Zo'n jongen is enorm intelligent, maar in zijn jeugd is er zoveel misgegaan dat hij nu in de gevangenis zit. Daardoor ben ik de daden van mensen veel beter gaan begrijpen.

“Door dit boek heb ik mijn vorm gevonden. Ik ben een verhalenverteller die zijn stijl eenvoudig moet houden. In mijn debuut, De verwording, heb ik me overgegeven aan mooischrijverij, maar intussen was ik vergeten het verhaal te vertellen. Toen wilde ik nog schrijven als Jeroen Brouwers, wat natuurlijk onmogelijk was. Iedere schrijver heeft een meester nodig, zoals Jeroen Mulisch had. Maar op een gegeven moment moet je die een schop verkopen en je eigen weg gaan. Mooischrijverij is voor mij het grootste gevaar. In een boek als De engelenmaker moest ik ook wel sober zijn. Er gebeurt zo veel, voor je het weet schrijf je een roman van 800 bladzijden. En dan raak je onherroepelijk mensen kwijt onderweg. Nu heeft zelfs mijn moeder - zij is een huismoeder die nooit leest, mijn vader is een gewone arbeider - het helemaal gelezen.“

Niet alleen Brijs' afkomst is volks, dat is ook zijn imago onder de vaak postmodern angehauchte Vlaamse critici. Kringen waar “volks' geen compliment is. “Laatst las ik nog in een Vlaams tijdschrift dat ik geen literatuur met een grote L schrijf. Af en toe krijg je een mes in de rug, het verandert maar langzaam.“ Brijs komt dan ook niet vaak in literaire kringen. Hij woont op het platteland in de provincie Antwerpen, met ezels op het land en onder sterke controle van de buren. Een situatie vergelijkbaar met die van de hoofdpersonen van zijn roman. “Er zijn mensen die over het dorp in De engelenmaker zeggen: dat bestaat toch niet meer? Zo'n conservatieve, gesloten gemeenschap. Dat zijn mensen die niet in een dorp zijn opgegroeid. Toen ik in 1990 afgestudeerd was, mocht ik niet lesgeven op de school waar ik als kind naartoe was gegaan omdat ik niet naar de kerk ging. In 1990! Zo gaat het nog steeds.“

Niet lang na het verschijnen van De engelenmaker barstte de affaire rondom de frauderende Koreaanse kloon-onderzoeker Woo-Suk Hwang los. “Het was alsof mijn roman tot leven kwam,“ zegt Brijs. ,,Hwang maakte eigenlijk hetzelfde mee als Victor Hoppe in mijn boek. Ik heb bewust geen oordeel over kloononderzoek willen vellen in mijn boek. Als het gaat om het kweken van stamcellen die het mogelijk maken om leukemie de wereld uit te helpen, is iedereen vóór, maar het is de vraag waar je de grens trekt. Ik weet niet wat ik zou doen als ik wetenschapper was en het talent en de mogelijkheid had een mens te klonen. Het lijkt me erg moeilijk om het dan niet te doen.“