Ik ben niet grof maar eerlijk

Cabaretière Sara Kroos stapte na haar eindexamen vrijwel meteen het podium op en had succes. Vooral haar vrijpostige grappen over seks doen het goed. ‘Ik ben een rolmodel voor de stevige vrouw.’

Sara Kroos in de kleedkamer foto Freddy Rikken Sara Kroos FOTO: Freddy Rikken Rikken, Freddy

De stemming slaat om bij het verhaal over de poes, na een minuut of twintig. De vrouwenpoes, wel te verstaan. Cabaretière Sara Kroos (24), die tijdens haar voorstelling Zoetgevooisd een witte cowgirl-rok en puntlaarzen draagt, een strak wit shirt om haar weelderige bovenlichaam, zegt dat ze zelf ook een vrouw is en dat ze dus heus wel snapt dat een vrouw soms even niet wil, ‘een jaartje of zo’. Dan moet de poes even rusten. Maar sómmige vrouwen, vooral als ze net een baby gebaard hebben, die doen hun poes in de mand en halen hem er niet meer uit. Die laten zo'n beest helemaal inslapen. En dat vindt Kroos niet eerlijk. Want de man, de hond, die wil gewoon uit, die wil neuken. Dat kun je hem niet ontzeggen, dat is de natuur.

Arme, arme jonge pappa's, zoals ze daar als behoeftige keffertjes achter het schoolhek staan, elke middag om drie uur. Sara Kroos mag graag langs zo'n hek paraderen, vertelt ze op een donderdagavond aan haar publiek in de Leidse Schouwburg. Dan gaat ze er in volle glorie voor staan, en zegt ‘kóm dan, jonge pappa's, kóóm dan!’ Ze schudt met haar billen en haar borsten. En de zaal, die zich tot dat moment van z'n keurigste, meest Leidse kant heeft laten zien, schudt ook. Van het lachen.

Zoetgevooisd is Kroos' derde theaterprogramma, en ze trekt er meer dan ooit een gemengd publiek mee: vrouwen, mannen en kinderen, van tien tot vijfenzestig jaar oud. De kinderen kennen Kroos van de televisie: ze is het enige vrouwelijke lid van de Lama's, een groepje acteurs met een populair improvisatieprogramma op BNN en hun eigen, succesvolle theatertournee, waar Kroos zich als ze vrij heeft van Zoetgevooisd bij voegt.

De ouderen kennen haar sinds 2000, toen ze als achttienjarige autodidact uit het polderdorpje Groot-Ammers de publieksprijs won op de finale van het Leids Cabaret Festival. Critici en publiek waren toen verbluft over haar présence, haar lef, haar muzikaliteit. Het gejuich hield aan tot en met Honger, haar eerste avondvullende programma, en verstomde pas een beetje toen ze in Lam, haar tweede, een wel erg rauw thema tot hoofdonderwerp koos: incest. Kroos was te onrustig, werd er geschreven, ze maakte zoveel misbaar dat ze zichzelf en haar dramatische verhaal over ene ‘oom Frits' overschreeuwde. De theaters raakten lang niet overal uitverkocht.

Bij Zoetgevooisd gaat het allemaal beter. De voorstelling is goed ontvangen, trekt volle zalen en gaat volgend seizoen opnieuw op tournee. Kroos heeft meer grip op haar act gekregen, liedjes en conferences zijn meer in balans. Maar lef heeft ze nog steeds. Een van de hoogtepunten van de show is haar imitatie van haar eigen hoogtepunt, waarbij ze wijdbeens, het hoofd in de nek, zo'n lange en beestachtige kreet uitstoot dat je niet anders kunt dan je giechelend gewonnen geven. Ze noemt zichzelf een ‘cloer’, een kruising tussen een clown en een hoer, met als tragische bijkomstigheid dat ze overal altijd weer weg moet: na een tijdje wil er niemand meer lachen, en niemand meer seksen.

Serieus

Bij vlagen is Kroos ook serieus, weemoedig. Ze zingt over haar geliefde die niet los komt van ‘hem’, ze vertelt over een man die elke dag door zijn vrouw wordt geslagen. Op het podium is Kroos nu niet meer alleen. Rechts achter haar staat toetsenist Martijn Breebaart, een cabaret-veteraan die met onder anderen Karin Bloemen en Lenette van Dongen werkte en die samen met Kroos de liedjes voor Zoetgevooisd schreef. Links staat gitarist Bas Mulder, voor wie Kroos speciaal let op de ‘lekkere vrouwen op de voorste rijen’. De band tussen Kroos en haar ‘jongens’ is hecht: ze zingt met ze, danst voor ze, gebruikt ze als sidekick en als rustpunt tijdens haar soms bijna ontsporende improvisaties.

De eerste try-outs van Zoetgevooisd vonden plaats in september 2005, en daar gingen maanden van repetities aan vooraf. Het groepje van Kroos, Breebaart, Mulder, lichtvrouw Pernel van Herpt en geluidsman C.J. Otten, met Kroos' vaste regisseur Jessica Borst als wakende kracht op de achtergrond, trekt nu dus bijna een jaar intensief met elkaar op. Ze kunnen elkaars zinnen afmaken, zo langzamerhand. Ze spelen Zoetgevooisd drie, soms vier keer per week. Dat lijkt een ontspannen schema, maar het is elke keer zo'n intensieve anderhalf uur dat niemand er iets vasts naast doet. Kroos ruimt één dag per week in voor ‘interviews en dat soort dingen’ en treedt soms dus op met de Lama's, Breebaart geeft les op het conservatorium en doet ‘wat arrangeerwerk’, Mulder zit in ‘bandjes’. Zoetgevooisd is de eerste zorg.

Op een speeldag komen ze apart, per auto, per trein of in het busje van de techniek, naar het theater, ergens in Nederland. Ze ontmoeten elkaar bij het eten, om een uur of zes. Ze hebben geen eigen catering; een café of een restaurant buiten het theater is gezelliger, en zo, aldus Kroos, ‘zien de technici het daglicht ook nog eens’. ‘C.J.' is een frietenman en ook Mulder kan heel wat verstouwen, maar Kroos eet licht voor een voorstelling, ‘een salade of zo’. Althans, dat probeert ze. ‘Ik ben een rolmodel voor de stevige vrouw’, zegt ze in Zoetgevooisd, terwijl ze met een onderkin naar beneden kijkt en haar boezem vastgrijpt. ‘Da's heel zwaar hoor. Het is een dubbelrol.’

De voorstelling hoeft na zo'n zestig uitvoeringen niet meer te worden gerepeteerd, maar er wordt in elk theater wel kort gesoundcheckt. ‘Hé! NRC!’ roept Kroos tijdens de soundcheck in Leiden de op één stoel na lege zaal in. ‘Je hebt een scoop.’ Ze heeft net bedacht dat het mooi is om het woord ‘samen’, aan het eind van het Zigeunerlied, voortaan driestemmig te zingen. Dit soort kleine veranderingen zijn er vaak. Kroos houdt van telkens een nieuwe nuance, een nieuw grapje, een nieuwe verspreking. Zo blijft het spannend.

‘Mensen, ik ga naar mijn hok! Doeoeoe!’ Precies drie kwartier voordat ze op moet, trekt Kroos zich terug in haar kleedkamer, dat is vaste prik. C.J. heeft haar koffertje met kleren en haar tas met boeken daar dan al neergezet, uit aardigheid. Van Herpt brengt haar nog een espresso. Kroos voelt zich niet de baas van deze groep, zegt ze. Ze kan alleen maar werken in een sfeer waarin niet expliciet benoemd hoeft te worden wie vetorecht heeft of wie de opdrachtgever is. Haar naam staat op de flyers ja, maar Zoetgevooisd maken ze samen. Tijdens de rust blijft haar deur gewoon openstaan. ‘De jongens mogen altijd binnenlopen. Maar ik ben zo druk, ik kwebbel en ik praat zoveel. Als ik voor een voorstelling niet even gas terug neem, gaat het niet goed.’

Ze verft de punten van haar cowboylaarzen bij met Tippex, vouwt wel vijf witte shirtjes uit. Ze is niet snel tevreden over zichzelf, zo iemand is ze niet. Maar dat ze vanavond met zo'n echte productie in een uitverkochte Leidse Schouwburg staat, de plek waar ze ooit als ‘ukkie’ aan de finale van het Cabaret Festival meedeed, dat vindt ze toch ‘wel gaaf’. ‘Ik ben zo van de havo in Schoonhoven het podium op gestapt. Op school had ik één keer een kleine act gedaan, bij de diploma-uitreiking. Ik was wel altijd met liedjes en zo bezig, maar dat was thuis, in mijn hoofd. Het theater was een droom, zoals je droomt dat je prinses wilt worden. Ik had nooit gedacht dat ik het zou redden.

‘Ik heb wel eens gezegd dat ik, als ik niet op het podium zou staan, nu de daklozenkrant zou verkopen. Dat klinkt dramatisch, maar voor mij was het noodzakelijk dat ik al zo vroeg in mijn leven mijn plek vond. Ik ben als puber jarenlang heel ongelukkig geweest. Een week na mijn eindexamen zat ik al in een opvangcentrum. Ik was depressief, in de war, ik had geen enkel toekomstperspectief. Ik heb nog even de opleiding drama schrijven in Utrecht gevolgd, maar dat werd niets. Met de moed der wanhoop heb ik me toen voor het Leids Cabaret Festival opgegeven. Ik dacht: als het mislukt, ga ik iets heel anders doen, maar ik wil het één keer geprobeerd hebben. Ik ben met mijn ogen dicht in het diepe gesprongen. Dat heeft goed uitgepakt.

‘Het toneel is mijn grote vrijheid, mijn veiligheid. In het echte leven heb ik nog angsten genoeg, maar niet hier. Dit is mijn speelplek. Hier mag ik er helemaal zijn, en kan ik mijn heftigheid ten goede aanwenden. Ik kan mijn vuur de andere kant op spuwen, in plaats van in mijn eigen gezicht.’

Kroos woonde een paar jaar samen met een actrice, die tijdens hun relatie beviel van een dochter, maar dat ging ruim een jaar geleden uit. Nu leeft ze alleen. Ze is wel weer verliefd, zegt ze, wat ‘een prachtige energie’ geeft. Uit Amsterdam, waar ze samenwoonde, is ze weggegaan om nooit meer terug te keren; ze heeft nu een ‘heel klein huisje in het bos, in een dorpje bij Nijmegen. Er is een open haard, en een hond komt er ook nog. Dat idee. Ik heb heel lang gedacht dat ik gek zou worden van rust, maar dat is helemaal niet waar. Ik heb juist veel afzondering nodig, ik moet de seizoenen zien, als tegenwicht voor al het toeren dat ik doe.’

Stemming

Leven en werk grijpen bij haar in elkaar, ze is de eerste om dat te beamen, maar het verband is niet zo direct als mensen vaak denken. ‘Mijn stemming mag in principe geen invloed hebben op mijn spel. Ik heb prachtig gespeeld op momenten dat ik doodongelukkig was, of ziek. Ken je de uitdrukking ‘Doctor Theatre'? Met koorts of een verzwikte enkel kan ik ook gewoon spelen. Alleen doet het daarna drie keer zoveel pijn.’

Omdat Kroos op het podium zo vrijpostig over seks praat, roept ze in het dagelijks leven nogal eens platte reacties op, vooral van mannen. ‘Dan zie je ze eerst in een groepje met elkaar smoezen, zo van ‘wie gaat erheen', en dan krijgt er één een duw en die komt dan op me af, als een leeuwtje op zijn prooi. Dan komt er een one-liner. Maar ik loop na de voorstelling heus niet de hele tijd te roepen van kut, neuken of weet ik wat; tijdens de voorstelling doe ik dat trouwens óók niet. Als mensen als eerste reactie op dit programma zeggen: ik vond het erg grof, erg plat, dan denk ik sorry, maar dat was echt niet het enige. Niet dat ik aan hervormingscabaret doe, maar ik heb wel een boodschap, voor wie hem horen wil. Zoetgevooisd gaat over de smetteloze buitenkant en de rotte binnenkant, over de geheime gedachten en gewoonten die iedereen heeft. Ik noem dat het kistje. Iedereen heeft een kistje, en ik wil dat openkrijgen. Dat is niet grof, dat is eerlijk.’

Het jongetje van tien dat een uur later één rij achter me in de zaal zit, tussen zijn beide ouders in, vindt Kroos ook niet grof, zegt hij. Hij kent haar van de Lama's. Haar grappen zijn wel vies, maar hij snapt ze allemaal. ‘Wat zit er in jouw kistje, pap?’, vraagt hij na afloop aan zijn vader, die bij de schunnige passages steeds in een gierend krijslachen ontstak. Nu lacht hij niet. Zijn gezicht valt. ,,Een heleboel jongen’, antwoordt hij. ‘Ik heb een hele grote kist.’

Voor speeldata van Sara Kroos: www.sarakroos.nl