Goedenacht, vrienden

Eind jaren tachtig werd Francis Fukuyama door zijn geruchtmakende essay ‘The End of History?' de ster van de neoconservatieve beweging in Amerika. Onder invloed van de oorlog in Irak keert hij zich in zijn nieuwe boek tegen zijn oude vrienden.

Francis Fukuyama Foto Bloomberg This is an undated handout photo of Francis Fukuyama, professor of International Political Economy at Johns Hopkins University. Photographer: David Fukuyama. Source: Francis Fukuyama Foto Bloomberg BLOOMBERG NEWS

Oud-politicus Frits Bolkestein werkt aan zijn magnum opus, een boek over de verhouding tussen intellectuelen en politiek. Hopelijk ruimt hij daarin ook een hoofdstuk in voor de Amerikaanse neoconservatieven en de regering-Bush. Bolkestein, zelf een fervent anticommunist, wil onder meer de vraag beantwoorden hoe het kan dat zoveel westerse intellectuelen in de 20ste eeuw vatbaar bleken te zijn voor de totalitaire verleiding van fascisme en communisme. Op veel begrip van de ‘Amsterdamse koopman in de politiek' hoeven zulke verdwaasde denkers niet te rekenen. Goede bedoelingen zijn geen excuus, in de politiek tellen alleen resultaten. Je laten meeslepen door utopische vergezichten en je geen rekenschap willen geven van de taaie werkelijkheid - Bolkestein moet daar als conservatief-liberaal niets van hebben.

Totalitaire stelsels zijn in het Westen inmiddels zo dood als een pier. Maar dat betekent niet dat de verleidingen waaraan sommige intellectuelen blootstaan - misschien zijn het menselijke zwakheden - ook van het toneel zijn verdwenen. Op de rechterflank van het politieke spectrum zijn nog steeds veel sporen te zien van utopisch politiek denken. Kenmerkend daarvoor zijn de rigoureuze tweedeling van de wereld in goed en kwaad, de rotsvaste overtuiging de wind van de geschiedenis in de rug te hebben, de bereidheid om in naam van idealen naar geweld te grijpen, en de neiging om de onbedoelde, soms desastreuze, gevolgen van hooggestemde ideeën zoveel mogelijk te negeren. Al deze elementen komen bij elkaar in de explosieve cocktail van democratische zendingsdrang en militair machtsvertoon van het neoconservatisme; de denkrichting onder Amerikaanse intellectuelen die na de aanslagen van 11 september 2001 grote invloed kreeg op het buitenlands beleid van de regering- Bush. De totalitaire verleiding is omgeslagen in de anti-totalitaire verleiding.

De Amerikaanse filosoof Francis Fukuyama, tot voor kort zelf een ster aan het neoconservatieve firmament, probeert nu zijn ex-kameraden terug in het juiste, meer conservatieve spoor te krijgen in zijn nieuwe boek America at the Crossroads. Democracy, Power and the Neoconservative Legacy. Fukuyama (Chicago 1952) werd wereldberoemd met een artikel en later een heel boek, The End of History and the Last Man (1992), waarin hij het ‘einde van de geschiedenis' aankondigde. De implosie van het communisme in 1989 bewees volgens hem dat het idee van de westerse democratie en de consumptiemaatschappij geen serieuze concurrentie meer te duchten had, al waren er nog wel wat gebieden in de wereld die nog niet in dit ‘posthistorische' tijdperk waren aangeland.

Kernpunt van zijn huidige kritiek op zijn voormalige geestverwanten, is dat ze een van hun cruciale inzichten uit het oog verloren zijn: hun fundamentele scepsis over grootschalige overheidsinterventies. Het neoconservatisme heeft zijn wortels onder meer in kritiek op het stalinisme in de jaren dertig en op de uitbouw van de Amerikaanse verzorgingsstaat in de jaren zestig. De neocons zijn in hun opvattingen over binnenlands beleid wél trouw gebleven aan die houding. Maar in de buitenlandse politiek, en zeker in Irak, hebben ze iedere scepsis laten varen. Fukuyama verklaart die vergeetachtigheid uit de ‘hitte' van het debat over Irak. Maar er is ook een minder welwillende uitleg mogelijk. Kennelijk wegen de risico's en onbedoelde gevolgen van grootschalige interventies aan de andere kant van de wereld toch minder zwaar dan in eigen land.

Politiek is het boek van Fukuyama te beschouwen als een scherpe breuk met het neoconservatisme. Hij kwam tot inkeer omdat hij de diepe kloof tussen de neoconservatieve retoriek en de bloedige berichten uit Irak niet meer kon verdragen. In de jaren negentig en ook nog na 11 september, was Fukuyama juist een voorstander van militair ingrijpen in Irak. Voordat de oorlog uitbrak begon hij al te twijfelen, maar hij trad pas met die twijfels naar buiten toen het te laat was. Nu pleit hij voor het aantreden van een ‘nieuw team' dat de regering-Bush moet vervangen, om een frisse start te maken in de internationale politiek.

Ideologisch gezien ligt Fukuyama's breuk met het neoconservatisme complexer. Hij blijft bij het standpunt dat Amerika zijn macht moet gebruiken om de opmars van de democratie in de wereld te bevorderen. Ook blijft het volgens hem soms noodzakelijk om geweld te gebruiken, desnoods in een preventieve oorlog, mits daarvoor heldere en scherp afgebakende criteria zijn geformuleerd. Het grootste gevaar van de huidige debacle in Irak, is volgens Fukuyama dat de Amerikanen daaruit zullen concluderen, dat ze zich zoveel mogelijk uit de wereld moeten terugtrekken. Dat is een illusie voor een supermacht in een tijdperk van globalisering. Fukuyama probeert, kortom, uit de neoconservatieve boedel te redden wat er te redden valt. Hij valt het neoconservatisme niet als geheel aan, maar een bepaalde stroming binnen het neoconservatieve denken, waarvan onder zijn onderkoelde en nauwkeurig beargumenteerde kritiek weinig heel blijft.

De kern van de visie die Fukuyama bestrijdt, en die vooral is terug te vinden bij de auteurs William Kristol en Robert Kagan, bestaat uit een sterke nadruk op de unieke machtspositie van Amerika als de enig overgebleven supermacht, op de militaire capaciteiten van de Verenigde Staten en op een morele agenda; idealen als vrijheid en democratie moeten in de internationale politiek maatgevend zijn. De minste moeite heeft Fukuyama met de idealistische component; in die zin blijft hij trouw aan zijn roots. Maar hij maakt wel grote bezwaren tegen de overdreven hoge verwachtingen van militair optreden en de eenzijdige nadruk op de positie van Amerika als hegemoniale mogendheid. Natuurlijk is het waar dat het machts- verschil tussen Amerika en andere landen groot is, maar juist die machtspositie roept ook enorme weerstanden op tegen de Verenigde Staten, die door de neocons ernstig zijn onderschat. De Amerikanen zouden zich volgens Fukuyama weer veel meer moeten aantrekken van de opinie van anderen, maar de Verenigde Naties blijft hij beschouwen als een verloren zaak. Waar bij de VN dictaturen en democratieën gebroederlijk naast elkaar zitten, pleit Fukuyama voor hechte banden tussen democratische staten onderling.

Het is volgens Fukuyama ook een gevaarlijke illusie te denken dat democratie primair uit de loop van een geweer kan komen. Veel neoconservatieven zijn uitsluitend gefixeerd op militaire slagkracht en ideologie, constateert hij, en kunnen nauwelijks belangstelling opbrengen voor de problemen waar het bij regime change en nation building werkelijk om gaat: economische ontwikkeling en de opbouw van democratische instituties. Regime change zal in de praktijk hoe dan ook een uitzondering blijven, meent Fukuyama, omdat het van de grond af aan opnieuw opbouwen van een samenleving een ongehoorde krachtsinspanning en eindeloos geduld vergt.

Fukuyama's kritiek is zinnig en waardevol, maar het is de vraag of het probleem niet dieper zit; bij het neoconservatieve wereldbeeld zelf, waar Fukuyama niet helemaal afscheid van kan nemen. De wereldbeschouwing van neo-cons als Kristol en Kagan bestaat uit een curieus mengsel van inktzwart pessimisme én levensgroot optimisme. De wereld zit vol gevaren: ‘schurkenstaten', massavernietigingswapens, terroristen, vijandige mogendheden. Militair optreden kan nooit worden uitgesloten, omdat de wereld nu eenmaal een jungle is. Maar daar staat iets heel moois tegenover: de Verenigde Staten hebben door hun macht én hun unieke morele karakter de kans om een stempel op de wereld te drukken, met een beleid dat in het teken moet staan van ‘nationale grootheid'.

Het doel van deze ideologische constructie is om zowel de nadelen van te veel optimisme als van te veel pessimisme tegen elkaar weg te strepen. Te veel idealisme kan er toe leiden dat Amerika reële bedreigingen uit het oog verliest, maar te veel realisme en pessimisme kan tot gevolg hebben dat de Amerikanen hun morele karakter verkwanselen. De neoconservatieven willen the best of both worlds, en denken de gouden formule te hebben gevonden. Maar het resultaat is iets heel anders: een bipolair wereldbeeld met heel weinig interne samenhang, dat soms naar de ene en dan weer naar de andere kant overhelt. Het zwart is te zwart (de buitenlandse dreigingen) en het wit te wit (de eigen motieven en mogelijkheden).

Wél is dit een visie die goed leek aan te sluiten bij de gebeurtenissen van 11 september; toen de wereld zelf uit het lood hing. Maar het bood allesbehalve een goede basis voor rationeel beleid. In plaats van de instinctieve reacties van een belangrijk deel van de Amerikanen op de gebeurtenissen van 11 september enigszins af te remmen en in goede banen te leiden, werden die reacties door dit gedachtegoed extra versterkt. De postmoderne mix van optimisme en pessimisme, waarbij naar hartelust is ‘geshopt' bij historische ideeën en denkrichtingen, is nu in Irak aan een hardhandige reality check onderworpen.

Dat de regering-Bush met de Iraakse inval haar eigen capaciteiten schromelijk heeft overschat, is na drie jaar bezetting en burgeroorlog meer dan duidelijk. Die funeste ring van zelfvertrouwen verklaart Fukuyama uit een eenzijdige interpretatie van het einde van de Koude Oorlog. In neoconservatieve kringen is de ontmanteling van het Oostblok en de Sovjet-Unie, volledig bijgeschreven op het conto van Ronald Reagan. Reagan goot de rivaliteit met het communisme weer in morele termen - hij omschreef de Sovjet-Unie als evil empire - en gaf daarnaast een forse nieuwe impuls aan de wapenwedloop. Die twee factoren samen hebben de Sovjet-Unie op de knieën gedwongen, zo luidt het verhaal. De eigen rol van de opstandige Oost-Europese bevolkingen, de demoralisering van de sovjetelite en het staatsmanschap van Gorbatsjov, kregen veel minder nadruk. Bovendien was de inzet van Reagans politiek, schrijft Fukuyama, helemaal geen regime change, maar ouderwetse indamming van de sovjetdreiging - de retoriek van de president ten spijt.

Dat neemt niet weg dat veel neocons aan de gebeurtenissen in Oost-Europa de vaste overtuiging hebben ontleend dat hún beleid een daverend succes was gebleken. Maar Fukuyama noteert ijzig: dat je in een bepaald geval gelijk hebt gekregen wil niet zeggen dat je dat in andere gevallen ook hebt. Wat wél zeker is, is dat een rotsvast vertrouwen in het eigen gelijk een ‘ernstige psychologische handicap' vormt bij het nemen van juiste beslissingen. Daaraan heeft Fukuyama overigens het zijne bijgedragen door het einde van de Koude Oorlog ook meteen uit te roepen tot ‘einde van de geschiedenis'.

Tot zover de zelfoverschatting; hoe zit het met de overschatting van de bedreigingen? De voornaamste argumenten voor de oorlog in Irak - de aanwezigheid van massavernietigingswapens en de nauwe banden van het Iraakse regime met Al-Qaeda - zijn een fata morgana gebleken. Heel verrassend kan dat niet zijn, gezien de duidelijke aanwijzingen dat er met risicoanalyses en informatie door de regering-Bush gemanipuleerd werd aan de vooravond van de oorlog, hoewel Fukuyama op die kwestie nauwelijks ingaat. Fukuyama gaat het vooral om de consequenties van de onberaden inval.

Vóór de oorlog in Irak waren er over de hele wereld, schrijft hij, naar alle waarschijnlijkheid hooguit enkele duizenden jihadisten die de Verenigde Staten daadwerkelijk naar het leven stonden. Dat is niet weinig, maar het is toch van een andere orde dan het gevaar van het stalinisme en het nationaal-socialisme. Inmiddels heeft dit probleem hele andere proporties aangenomen, als onbedoeld gevolg van het woeste Amerikaanse optreden.

Ook het gevaar dat ‘schurkenstaten' gaan samenwerken met terreurgroepen, en aan hen zelfs massavernietigingswapens zullen willen leveren, is volgens Fukuyama niet zo groot als de regering-Bush denkt. De kans dat Saddam Hussein hiertoe bereid was geweest, acht hij klein. Hij typeert Saddam als een dictator die weliswaar graag gokte en grote risico's nam, maar die niet suïcidaal was, wat overigens ook wel is gebleken bij zijn arrestatie. Dat betekent dat hij in principe vatbaar was voor een politiek van afschrikken en indammen, zoals de regering-Clinton in de jaren negentig ook liet zien. Het is waar dat de Iraakse bevolking leed onder het sanctieregime van de Verenigde Naties, maar het is zeer de vraag of de Irakezen in de huidige omstandigheden humanitair gezien beter af zijn.

Alleen de idealistische rechtvaardiging van de oorlog in Irak staat nog enigszins overeind: het ‘nieuwe Irak' dat volgens president Bush een democratisch baken van licht zal zijn voor het ‘nieuwe Midden-Oosten'. Vooralsnog is er bitter weinig dat die kant op wijst. Hoe dat ook zij, hervorming van het Midden-Oosten zal volgens Fukuyama geen oplossing bieden voor het fundamentalistisch terrorisme. In navolging van de Franse islamkenner Olivier Roy, ziet hij dit terrorisme vooral als het product van gebrekkige integratie en gevoelens van vervreemding onder jonge moslims in het Westen zelf - vooral in Europa - en niet van de maatschappelijke stagnatie in het Midden-Oosten. Het potentieel van jongeren dat zich afkeert van de westerse samenleving, is door het Amerikaanse optreden in Irak vermoedelijk sterk toegenomen.

Neoconservatieven zijn vaak graag bereid toe te geven dat er in de uitvoering van hun ideeën in Irak grote fouten zijn gemaakt, zoals de te kleine, ineffectieve bezettingsmacht en de schendingen van mensenrechten door Amerikaanse soldaten. Fukuyama legt de verantwoordelijkheid neer waar hij hoort: bij de neoconservatieve agenda zelf. Hij wil dat er een einde komt aan de heetgebakerde, contraproductieve retoriek over de ‘oorlog tegen terreur'. De Verenigde Staten moeten zich opnieuw richten op het smeden van allianties, werken aan economische groei in arme landen, dieper nadenken over het opbouwen van democratische instituties, en minstens even veel aandacht besteden aan ‘soft power' - de kracht van ideeën en argumenten - als aan het militaire harde spul. Zijn politiek is er een van werken voor de lange termijn en geduldig opbouwen, met evenveel aandacht voor de - vaak technische - details als voor visionaire vergezichten. Dat is ook precies de reden waarom zo'n beleid voor een bepaald soort intellectuelen niet erg aantrekkelijk is. Je voelt daarbij immers niet steeds de warme hand van de geschiedenis op je schouder. Maar de Amsterdamse koopman Bolkestein zou dit toch moeten aanspreken.

Francis Fukuyama: America at the Crossroads. Democracy, Power and the Neoconservative Legacy. Yale University Press, 226 blz. euro 29,75 De Nederlandse vertaling Na het neoconservatisme, verschijnt half april bij Contact en kost euro 24,90