Een witte schaduw

Begin maart reisde Manon Uphoff naar Suriname voor het literaire festival ‘Werelden in ontmoeting'. ‘Jullie moeten begrijpen hoe belangrijk het is voor onze kinderen dat ze schrijvers en dichters zien!’

Manon Uphoff (tweede van links) op de pier van hotel Torarica Foto Anne Leusink Leusink, Anne

‘Doen!’ zegt Ronald Giphart, die de vorige keer met Winternachten meereisde. ‘Zou er zo gaan wonen. Het was er fantastisch.’

Op bloedeloze benen kom ik het KLM-toestel uitgestrompeld, sneeuw nog op mijn schouders, koffer vol met de beginnersfout: synthetische zomerkleding. Niet nazeuren over ruimte, al vreesde ik dat de benen van het Surinaamse meisje met haar diabolofiguur bij het opstaan afgeklemd onder de ijzeren leuningen zouden blijven steken. Wegens ‘de veiligheid' (een koffer aan boord zonder passagier) zijn we vijf uur te laat. Veiligheid is een woord dat de komende twee weken niet gebruikt zal worden. Al krijg ik een keer de waarschuwing voor een buurtje waar men in het donker graag over de hekken springt om je te beroven.

De vochtige warmte op Zanderij is een omhelzing. Te moe om het landschap waar te nemen, snuif ik het op: een gronderige, zompige lucht.

Winternachten is een jaarlijks internationaal literatuurfestival in Den Haag, met veel aandacht voor landen die een post-koloniale band met Nederland hebben. In 2004 vond er voor het eerst een Surinaamse editie van het festival plaats, in samenwerking met de Surinaamse Schrijversgroep '77. Dit jaar ging Winternachten voor de tweede keer naar Suriname. Ton van de Langkruis, oprichter en directeur van Winternachten, zegt dat de Hollandse stagiaires als fruitvliegjes om Giphart heen zwermden. Suriname blijkt vergeven van de buitenlandse stagiaires. Vooral in de media.

‘Je kan geen krant openslaan of daar heb je weer een artikel van een Belgische of Hollandse studente’, zegt gastheer Robert Wijdenbosch, die mediatrainingen geeft aan de school voor journalistiek en lid is van Schrijversgroep '77. ‘Om gek van te worden. Ze worden geronseld, want ze kosten geen cent. Als ze klaar zijn met hun opleiding komt de volgende lichting. We bouwen hier geen expertise op.’

We liggen, hangen, zitten met het hele gezelschap op de boot die Cynthia McLeod heeft bekostigd met de opbrengst van haar succesboek Hoe duur was de suiker. Doordeweeks gebruikt ze de boot om Surinaamse scholieren de geschiedenis van hun eigen land te leren. In het weekend betalen de toeristen. ‘Want de kinderen hier worden allemaal grootgebracht met minderwaardigheidsgevoelens en met het verhaal dat het ergens anders, in Nederland, beter is - en dan trekken ze straks weg. Alleen als ze de geschiedenis kennen, zijn ze bereid in dit land te investeren.’

Als we in onbruik geraakte plantages bezoeken, knetteren helmloze jongeren op brommertjes langs. Zwarte torren laveren soepel tussen de bomen door. Uit verspreide huisjes klinkt snoeiharde muziek. Ik drink kokosmelk. Het blijkt dat Cynthia mijn oude geschiedenisleraar kende, die ons destijds buiten het officiële lesprogramma om uitgebreid voorlichtte over het koloniale verleden van de Nederlanders. Over de ongelijke getalsverhouding tussen blanke vrouwen en mannen in Suriname: 1 op 8, en de relaties tussen plantagemeesters en slavinnen. Over de liefdes en wreedheden. ‘De slavenschepen van de Hollanders stonken zo erg dat je het op kilometers afstand kon ruiken.’ En: ‘Het kon gebeuren dat een blanke meester zijn bij een slavin verwekte kinderen wel vrijkocht, maar de moeder niet. Theoretisch konden die vrije kinderen dan hun eigen moeder als slavin erven.’ Jaartallen deden er niet toe. Als we maar inzicht opdeden.

Moksi patu (gemengde pot) of mamio (lappendeken). Suriname, met zijn half miljoen inwoners, waarvan de helft in Paramaribo woont, en de rest in het binnenland, is een smeltkroes. Het is zichtbaar en hoorbaar in de straten. Naar schatting zevenendertig procent van de bevolking heeft voorouders op het Indische subcontinent, eenendertig procent is van Afrikaanse afkomst, vijftien procent heeft Indonesische wortels, en kleinere percentages zijn van Chinese, Amerikaans-Indiaanse, Portugese, Libanese of Nederlandse afkomst. Veertig procent is christen, onder hen rooms-katholieken en protestanten, lutheranen, Nederlands-hervormden, baptisten, methodisten. Zevenentwintig procent van de bevolking is hindoe, tweeëntwintig procent moslim. ‘Luister! Aan deze kant van de straat, spreken de mensen een andere taal dan aan die kant’, zegt gids Mildred. Terwijl het water van ons lichaam gutst, loodst ze ons op het heetst van de dag door de armste wijken van Paramaribo. De komende tijd springen we vier tot vijf keer per dag onder de douche. De Curaçaose schrijver Erich Zielinski, die een roman schreef over de kleurrijke personages in de wijk Otrobanda in Willemstad, en over de menselijke kant van de bolletjesslikkerij, drukt bij elke stap zijn reusachtige witte zakdoek tegen het voorhoofd.

‘Ik ben wel in Afrika geweest’, zegt Mildred tegen de Zuid-Afrikaanse dichteres Diana Ferrus, ‘maar ik hoor hier. Ik ben de nieuwe mens.’

Zelf ben ik stinkend jaloers op al die beweeglijkheid, die in schril contrast staat met het politiek en mentaal bevroren Nederland.

Volgens Michiel van Kempen was het altijd een belangrijk vraagstuk hoe uit die veelheid een eenheid moet groeien, en daardoor ook een van de voornaamste thema's in poëzie, toneel en verhaalkunst. Ik schaf zijn boek Mama Sranan, 200 jaar Surinaamse vertelkunst aan in Fort Zeelandia, die beladen plek waar in 1982 de Decembermoorden plaatsvonden. Wat een schokgolf die moorden moeten zijn geweest, wordt een beetje voorstelbaar als ik ervaar hoe klein en op elkaar betrokken de gemeenschap eigenlijk is. Als ik op de vrouwenavond flauwval, weet binnen een dag heel Paramaribo dat ik ‘wittie-wittie' naar buiten ben gedragen. In het fort zelf zoek ik naar tekens, maar vind niets. Er is een tentoonstelling over Surinaamse verpleegsters die naar Nederland kwamen. Grote grofkorrelige foto's van jonge vrouwen die kleumend uit een vliegtuig stappen in ongemakkelijke en stijve winterjassen.

Op de bovenverdieping liggen overblijfselen en instrumenten van de slaventijd. Diana Ferrus, wier gedicht voor Sarah Baartman, de ‘hottentotvenus' die in de negentiende eeuw als kermisattractie door Europa werd gevoerd, een sleutelrol speelde bij het besluit van de Franse regering om de resten van Sarah terug te geven aan Zuid-Afrika, staart lang naar een mombakkes. Ik voel me een ongemakkelijke witte schaduw.

Niet het vormen van die eenheid lijkt me het grootste probleem. Wat te denken van de staat van Paramaribo, de beroerde infrastructuur, de armoe? Ik had gedacht dat Suriname welvarender was. (‘Veel mensen hebben geen cent’, zei Mildred. ‘Daarom hebben ze allemaal een broodboom op het erf. Is er echt niets meer, dan is er altijd nog de vrucht.’) Of van de strijd tussen het Surinaams-Nederlands en het Sranantongo?

Als we in de auto van Eddy van der Hilst, prominent lid van Schrijversgroep '77, over de zandwegen en de kuilen jakkeren en ik het linkerachterwiel akelig hoor trillen, zegt hij dat alleen de Chinezen weten hoe ze wegen moeten bouwen. Ze komen naar Suriname, worden slecht behandeld, slapen in hun machines en vertrekken zodra ze kunnen. ‘Geen Surinamer weet hoe je een weg moet asfalteren. Van alle bevolkingsgroepen kunnen alleen de Chinezen het. Er vindt geen kennisoverdracht plaats. Op een ochtend was de zandweg achter mijn huis plotseling geasfalteerd. Zag er práchtig uit. Maar het was zo over het zand gegoten. Twee weken later was er niets meer over.’ En wat te denken van de brug die door Nederland voor 1 gulden van de hand was gedaan. Koopje. Tot bleek dat hij te kort was om de bedoelde rivier te overspannen. Toen kostte diezelfde brug miljoenen aan opslag. Of van het aggregaat dat een godsvermogen had gekost, maar tijdens het lossen tussen wal en schip viel in het water viel? In Eddy's verhalen klinkt naast betrokkenheid steeds ook grote ergernis en gelaten wanhoop door. Dan zwaait hij driftig met het Parbo-biertje.

Het is Eddy die erop wijst dat Surinamers in nieuwsprogramma's steeds over hun eigen land praten alsof het vreemd is, en het met een nadrukkelijkheid benoemen alsof het nog niet echt bestaat. Steeds moet worden bevestigd dat iets Surinaams is, in Suriname plaatsvindt, door de Surinaamse overheid is besloten enzovoort

Het blijkt dat er verschillend over het doel van het festival is gedacht. Waar, zeg maar, de voorheen koloniale zijde vooral een culturele en intellectuele uitwisseling tussen schrijvers voor ogen stond, en tussen orale en geschreven traditie, heeft men aan Surinaamse zijde vooral het contact tussen schrijvers en land, publiek en jongeren in gedachten gehad. Moeilijk erachter te komen waar het precies schuurt in de communicatie. Vertalingen van Sranan ontbreken. Het contact met Surinaamse auteurs is minder frequent dan we hadden gehoopt en verwacht.

‘Iedereen die schrijft, heeft er een baan naast’, zegt Eddy. ‘De mensen hebben geen tijd. Geen geld. Ze komen wanneer ze kunnen.’

Toverwoord is improvisatie. Elke ochtend krijgen we onder het motto ‘niets ligt vast en alles kan veranderen' de gewijzigde programma's. Soms is het alsof de hele delegatie zich tegenover de Surinaamse deelnemers voelt geplaatst. Wat moet dichter Tan Lioe le uit Bali, die op het podium dan wel brult als een tijger en zich op de borst beukt, maar die tegelijk zeer gebrekkig Engels spreekt, in 's hemelsnaam met een bezoek aan een basisschool?

‘Jullie moeten begrijpen hoe belangrijk het is voor onze kinderen dat ze schrijvers en dichters zien! Dat ze in contact komen en weten dat het bestaat! Het kan niet het enige doel zijn dat jullie schrijvers elkaar verrijken, je staat nu ook in dienst van dit land’, valt Eddy uit. We zitten in de brandende zon, en het gesprek wordt steeds onderbroken door een vrouw die onze rug wil masseren. Wij zijn verbouwereerd, maar ondertussen bereikt hij wel dat we de scholen met een andere insteek bezoeken.

Uiteindelijk zingt Tan liedjes op een gitaar.

Voor de scholen is dat hele schrijvers- en dichtersoptreden trouwens een nieuw en bizar verschijnsel. De meeste instituten hebben geen flauw idee wat we komen doen. Toch is het effect maximaal. Tijdens het voordragen zie je het vonken in de ogen van de leerlingen.

En dan is er de avond van de tori's, van vertellers en vertellingen. Libellen vliegen in en uit het open gebouw terwijl de vertellers uit de binnenlanden optreden. Normaliter komt het publiek op zo'n avond met zijn eigen krukje, nu staan er honderden plastic tuinstoelen klaar. Is de eerste vertelster onhandig, bij de ervaren Elly Purperhart is elke beweging, elke uitgesproken zin, een bezwering. Ik versta geen woord, maar het is niet nodig, al mijn aandacht gaat uit naar hoe de vertellers dit doen. De orale traditie is gegroeid uit het slavenbestaan, dat sowieso geen privacy kende, uit het reizen en ook uit het gebrek aan een gedeeld schrift. Veel van de orale vertellingen gaan tot wel tweehonderd jaar terug. Later komt er iemand bij me staan die vertaalt en samenvat en me wijst op de verse, juicy elementen. Er klinken ringtones in, er zweven vliegtuigen in rond en de taal is nergens archaïsch.

‘Eigenlijk is lezen hier een rare bezigheid’, zegt Ton van de Langkruis, als we in de Domineestraat op zoek gaan naar een geldautomaat, ‘het leven speelt zich zo in de gemeenschap af, dat het vreemd is om je af te sluiten met een boek.’

Vertellen daarentegen is een groepsgebeuren.

Heb ik na die eerste week een wat overtrokken en romantisch beeld van het respect waarmee de verschillende bevolkingsgroepen elkaars tradities tegemoet treden, laat op de avond leer ik dat dat nou niet echt om blinde eerbied gaat. Tijdens de Javaans-Surinaamse gamelan met wajangpoppen barst mijn vertaalster uit in gelach. ‘Hoe-hoe wat spannend!’ roept ze als de wajangpoppen elkaar schaduwvechtend te lijf gaan. ‘Daar leefden ze dan het hele jaar naar toe. Moest wel, want er was niks. Geen tv. Geen internet. Kijk, kijk, ze zijn allemaal over de vijftig, als deze mastodonten er niet meer zijn, sterft het uit. Die vernieuwen niets! En zo'n spel duurt wel negen uur!’

Ik kijk naar de ruggen van de spelers, omhuld door prachtige gebatikte hemden. Een half uur hebben ze, maar niemand lijkt ze op te jagen, en zij zichzelf zeker niet. Na een uur lopen de eerste mensen weg. Op de eerste rij zit een zestal Javanen. Nu en dan werpt een speler een blik over de schouder, waarna hij doorspeelt.

‘We zijn bij slide 28’, fluistert Ton, die de teksten projecteert, ‘en we hebben er 78.’

Snelle berekening leert dat we tot halfvijf in de ochtend bezig zullen zijn. Het blijkt dat de Javanen van de ambassade zijn. Dit verklaart de patstelling. De ambassademensen kunnen niet weggaan, want dat is grof en onbeleefd tegenover de spelers en de spelers kunnen niet stoppen omdat het beledigend is voor de ambassademensen. Mijn vertaalster huilt van het lachen. Op de organisatoren en een klein jongetje na is de zaal nu leeg. Dan staat een ambassademan op, vouwt buigend zijn handen en vertrekt, de rest volgt. Waarna de dochter van de wajangspeler toestemming geeft om de slides snel te plaatsen. Na een trage tweeënhalf uur flitst de rest het verhaal ineens in een breinverpulverend tempo voorbij. De gamelanspelers spelen woest door, maar de wajangpoppenspeler is kalm als in het begin. Slide 78. Klappen en gaan. Niemand is geërgerd of boos. Ook de spelers lijken totaal niet geraakt. Er hangt een vrolijke, losse stemming.

Op de laatste avond hangt dichteres Celestine Raalte, militant voorvechtster van het Sranan, Diana kleurige lappen stof om. Ze spreekt haar toe: ‘Wij zullen je nooit vergeten, onze zuster, je zult nooit meer alleen zijn.’ Met een miezerig lachje zit ik me koloniaal en buitengesloten te voelen op de voorste rij. ‘Jij kent niets van mijn achtergrond!’ viel ik eerder giftig uit tegen Eddy, ‘je hebt er verdomme niets eens naar gevraagd, je gist en lult maar wat.’

Tijdens de vrouwenavond val ik flauw. De hitte? Het bloederige miskraamverhaal? Een overdosis folklore, bloemenmanden en zusterschap? Vermoeidheid? Wandelende baarmoeder? Charles Chang, een van de organisatoren, rijdt mij met een gezicht waar geen enkele emotie van af te lezen valt, op de krulletjes bij zijn mondhoeken na, naar het ziekenhuis. Op de terugweg vertelt hij hoe hij onlangs door dezelfde verpleegster (een stagiaire) was geholpen.

‘Waaraan?’

‘Ik was gebeten door een wild beest’, zegt hij, en glimlacht erbij. Hij houdt de spanning even vast en vertelt dan hoe hij al jaren een wild zwijntje heeft. Hoe het kleine jonge zwijntje hem als zijn ouder zag en overal volgde. Op een dag springt het hem zelfs achterna in het water, zonder een moment van aarzeling, en verzuipt bijna - en hoe het zwijntje toen groter werd, en nu had het hem gebeten. Waarom? Omdat hij het niet voorzichtig benaderd had. Het zwijn verzette zich, was opstandig geworden - en beet.

‘Hoe staan jullie nu tegenover elkaar?’ vraag ik. Alweer een enigmatische glimlach. ‘Eehhhmet respect’, zegt hij.

De volgende dagen zal de weer zwijgzame Charles, die om subsidies bedelend langs tientallen particulieren in hun winkeltjes en eethuisjes van verrottend hout is gegaan, elke ochtend bij de ontbijttafel staan met het zakje speciaal voedsel voor de buiten het podium al even zwijgzame dichter Tan Lioe le. Alsof de twee een geheim verbond hebben gesloten.

‘Wij moeten ophouden bang te zijn elkaar kritiek te geven’, dondert schrijver en uitgever Rappa op de ingelaste debatavond over kwaliteit en kritiek in ‘praathuis' Tori Oso. Het houten gebouw met voorterras en een overdekte ruimte op het achtererf is al vijftien jaar een begrip. Ontmoetingsplaats voor politici, kunstenaars en intellectuelen. In 1991 geopend door Oswald (Osje) Braumuller, die in de jaren zestig als zeeman naar Europa kwam, in Nederland in een distilleerderij de kneepjes van het horecavak leerde, maar op 25 november 1975, de dag van de onafhankelijkheid, in Suriname was en automatisch de Surinaamse nationaliteit kreeg.

Freedom of Speech staat er boven de ingang.

Op het achtererf worden live-debatten met politici georganiseerd. Iedere laatste woensdag van de maand is het in Tori Oso de beurt aan Schrijversgroep '77. Ik snap nog maar weinig van die schrijversgroep en voorzitster Ismene Krishnadath die met de glimlach van een ijzeren lady tegen het hanteren van kwaliteitscriteria blijft. Al dwingt haar hardnekkigheid bewondering af. Tijdens de felle discussie blijkt dat het vooral ook de vraag is van wie de criteria, de meetinstrumenten afkomstig zijn.

‘Het is verschrikkelijk’, zegt een van de sprekers. ‘Wat we publiceren staat vol met taalfouten, er zijn geen correctoren, geen goede redacteurs.’

‘Die hebben we nou eenmaal niet,' zegt Ismene. Ze lacht er haar ondoorgrondelijke lach bij.

‘Ouwehoer toch niet zo’, zegt Zielinski na afloop.

Ze lacht, kust en omhelst hem.

‘Dat is precies wat er hier fout gaat!’ brult Rappa, die een lans breekt voor het gebruik van het Surinaams-Nederlands. ‘We moeten hier ophouden tegen een systeem van beoordeling te zijn en anderen de schuld te geven. We moeten onze taal leren! We moeten haar goed leren schrijven en lezen. We moeten de leerlingen literatuur aanbieden, niet alleen het verstofte en geïmporteerde werk, maar onze Surinaamse schrijvers, en ook schrijvers uit andere landen. En we moeten kritisch durven zijn. We moeten ons eigen systeem maken.’

Hij houdt een vlammend betoog. ‘Het zijn niet de anderen die ons klein houden!’ schreeuwt hij. ‘Wij doen het zelf!’

Zijn ogen puilen, hij is ook acteur, en zijn vuist slaat op de tafel. Later vloeit het Parbo-bier.

Er wordt nog lang nagesproken op het terras. Heimelijk ben ik jaloers op de betrokkenheid, de felheid, de woede, het verlangen naar verandering en groei, de energie. Dat is wat in Nederland ontbreekt, denk ik somber en met de pest in dat ik terug moet om weer te worden ondergedompeld in het bad van terrorisme, onveiligheid, alarmfase, allochtonen, het multiculturele drama en de kippenpest.