De vrije wil als een harige teckel op leeftijd

DÜSSELDORF. De vrije wil stelt je zelden voor verrassingen. Meestal wil hij hetzelfde. Hij wenst ruilhandel te bedrijven om die goederen en diensten te verzamelen waar hij zijn hartje aan heeft verpand.

Verzet tegen de vrije markt is weinig anders dan verzet tegen de vrije wil. Op die markt botsen alle vrije willen op elkaar, al was het maar omdat ze vrijwel zonder uitzondering, dat maakt de zaak zo onaangenaam, hetzelfde willen.

Karl Marx had niet helemaal ongelijk toen hij schreef dat de bourgeoisie, arme bourgeoisie, ‘de heftige siddering van de vrome dweperij, van de ridderlijke geestdrift en van de kleinburgerlijke weemoed in het ijskoude water van de egoïstische berekening [heeft] verdronken'. Wat hij minder scherp zag was dat vrome dweperij en kleinburgerlijke weemoed niet hoeven te vloeken met egoïstische berekening.

Terwijl ik op een maandagochtend door het centrum van Düsseldorf liep, met een fles champagne, aangeschaft in de Kaufhof, besefte ik weer eens hoe zeer mijn vrije wil concurreert met al die andere vrije willen. De dweperij en de weemoed proberen deze concurrentieslag verdraaglijk te maken voor bij het avondeten, maar de slag duurt onverminderd voort.

De idylle van het gezinsleven als laatste plek waar geborgenheid heerst is sinds Freud verbrijzeld. Wij weten dat de gezinsleden net zo hard met elkaar concurreren als de vrije willen op de markt. Als niet om goederen, dan toch wel om aandacht, tederheid en wat in de wandelgangen wordt genoemd: liefde.

Hoeveel gezinsleden verlangen niet samen met de baby naar de moederborst?

Ik was te vroeg voor mijn afspraak, daarom liep ik nog een rondje. De zon scheen, maar het was koud.

Wie afziet van vrome dweperij en kleinburgerlijke weemoed kan deze wereld alleen begrijpen als een spel waarbij het erom gaat de concurrentie voor te blijven. En waar mogelijk een vernietigende slag toe te brengen.

Bij een kiosk kocht ik een krant. Ik had nog vijf minuten. Te vroeg is net zo onbeleefd als te laat.

Als er geen plek meer is waar de hete adem van de concurrentie niet wordt gevoeld, moet de wereld wel worden onderverdeeld in winnaars en verliezers. Met als bijkomend probleem dat het onduidelijk is waarom de verliezers nog verder zouden willen spelen. Welk belang hebben zij om zich aan de regels te houden? Er bestaat de theoretische en niet geheel onjuiste hoop dat de verliezers winnaars worden, maar hoe houd je hun hoop levend? En dat laatste is noodzakelijk voor het bewaren van stabiliteit en orde.

Ik betrad het gebouw, meldde me netjes bij de receptie, en kreeg het verzoek nog even plaats te nemen. Wat ik deed. Om het wachten te veraangenamen vouwde ik mijn krant open.

Dit is wat reclame en religie gemeen hebben. Zij proberen niet alleen God en een product te verkopen, eerst en vooral houden zij de hoop levend.

Ah, daar kwam ze, mevrouw Kampmann en haar opvolgster, wier naam ik maar niet kon onthouden.

In Europa is bijvoorbeeld de christelijke religie net zo ironisch als de reclame. Men doorziet het spel, men neemt er dus afstand van, maar tegelijkertijd speelt men mee omdat men beseft dat er geen alternatieven zijn. Deze dubbele en dubbelzinnige positie is de kern van vrijheid.

Wij namen plaats in een klein kantoor, zeg maar een fraai hok, en wij spraken over mijn reizen, het naderende vertrek van mevrouw Kampmann, de skivakantie die ik achter de rug had. Van skiën was het nauwelijks gekomen, maar dat hoefde ik mevrouw Kampmann en haar opvolgster niet aan de neus te hangen.

Elders, in de Europese getto's en landen met exotische namen, neemt men zaken nog letterlijk, terwijl men dat beter niet kan doen. Traditie moet men net zomin letterlijk nemen als het spel. Wie het spel letterlijk neemt, kan zich feitelijk alleen nog opknopen. Dat is geen kwestie van ideologie, maar van adaptatie.

Alleen dat bestaat werkelijk waarmee men op een zinvolle manier kan concurreren.

Nu kwamen we te spreken over datgene waarvoor ik was gekomen. Mijn beleggingen. De papieren werden tevoorschijn gehaald. De cijfers bekeken. Zelden manifesteert de vrije wil zich zo compromisloos en autonoom als het gaat om het uitzoeken van aandelen waarin geïnvesteerd kan worden.

Apple. Mijn wil was beloond. Maar mijn vrije wil, die ik mij altijd weer voorstel als een harige teckel op leeftijd die alleen maar lever met gebakken uitjes lust, was ook bestraft. Pfizer bijvoorbeeld. Terwijl ik toch had durven zweren dat de farmaceutica geregeerd wordt door slimme boeven, zeg maar: maffia. Ach, het kon nog komen.

Wie zijn traditie letterlijk neemt, alleen omdat het toevallig traditie is of heet te zijn, heeft geen vrije wil. De vrije wil is een ironische wil. En de eerste wet van de ironie luidt: neem het niet te letterlijk, dat is slecht voor je nachtrust.

Emerging markets, twee woorden waar mijn wil dol op is. Het ging goed met de emerging markets. Misschien moest ik eens wat verkopen. Je moet ook afscheid kunnen nemen van je lievelingen.

Eén kleine onvolkomenheid en je bent een verliezer. Het is vrijwel onmogelijk langdurig geen verliezer te zijn. Maar je moet het blijven proberen.

‘En naar welke afdeling van de bank gaat u nu?’ vroeg ik. Daar deed mevrouw Kampmann vaag over. Ze zei alleen dat ze haar klanten zou missen.

‘En wij zullen u missen’, antwoordde ik.

Toen was het moment daar. Ik haalde de champagne uit de zak en gaf hem aan mevrouw Kampmann. ‘Omdat u altijd zo goed voor me hebt gezorgd’, zei ik.

Nu moest er alleen nog afscheid worden genomen. De opvolgster van mevrouw Kampmann vroeg wanneer ik weer dacht langs te komen. ‘Ergens in juni’, zei ik.

‘Ach, gaat u naar het WK?’

‘Nee, dat niet’, antwoordde ik, ‘ik ga naar de Oekraïne.’

In de concurrentieslag met alle anderen sluit je, dat is onvermijdelijk, steeds weer verbonden. Sommige houden langer stand dan andere. Aan sommige mensen hang je als aan aandelen die niets hebben opgeleverd, maar waarvan je bijna tegen beter weten in denkt, misschien komt er nog beweging in. Sticky money, schijnt dat te heten in de wereld van de investment bankers. In onze wereld dus.

Ik liep het gebouw uit en wandelde door de zon naar Konditorei Heinemann, waar mijn petekind en zijn moeder op mij zaten te wachten.

Ah, Konditorei Heinemann! Ik heb niets tegen het ritueel zolang het maar geen traditie wordt.

Het petekind pakte mijn hand en sleurde mij mee naar een kast waar wel honderd paashazen stonden uitgestald.

‘Die’, riep het petekind.

Ik pakte een paashaas en bekeek hem eens grondig.

‘Is dat?’ vroeg ik, ‘waar jouw vrije wil om draait, is dat het enige waar jouw vrije wil aan kan denken, een paashaas van witte chocolade? Of moeten we dit helemaal geen vrije wil noemen? Dwingt jouw lichaam je tot het verorberen van een paashaasje, terwijl ik net twee Wiener Würstchen heb besteld?’

Toen had ik een moment van inzicht. In het petekind zag ik de concurrent van de toekomst, en concurrenten moet je soms gunstig stemmen.

Ik kocht een paashaas voor hem. Al bij de kassa was het hoofd van de haas verdwenen.

Terug aan tafel vroeg de moeder van het petekind: ‘Als ik doodga wil je dan zijn voogd worden?’

Ik sneed in de Wiener Würstchen, en dacht aan mijn vrije wil, die de gedaante had aangenomen van een oude teckel. De hoop die levend moet worden gehouden, want zonder is er alleen nog anarchisme.

‘Doe maar’, zei ik, ‘dat kan er ook nog wel bij.’