De traditionalist Ingres is ook een vernieuwer

Ingres is een van de aller-raadselachtigste kunstenaars uit de geschiedenis. Is hij een revolutionair schilder of een reactionaire classicist? Schilder van de ‘koele lijn' en dus tegenpool van zijn rivaal Delacroix, of juist een colorist? Is zijn werk kuis of liederlijk? Al tijdens zijn leven werd hierover getwist en het debat duurt nog steeds voort. Het Parijse Louvre voegt daaraan een hoofdstuk toe met een groot overzicht van tachtig schilderijen en tekeningen.

Jean-Auguste-Dominique Ingres (1780-1867) won in 1801 de Prix de Rome met De ambasadeurs van Agamemnon, een tamelijk homo-erotisch schilderij van bijna-naakte Griekse helden. De 21-jarige Ingres schilderde de lichamen al met die kenmerkende ‘Ingreske' verdraaiïngen en verlengingen van ledematen, vooral bij de vrouwelijke naakten, zoals de legendarische Grande Odalisque (1814).

Zijn tijdgenoten beschouwden de doeken van Ingres als bizarreries, en voor ons zijn ze niet minder vreemd. Bijvoorbeeld de portretten. De vrouwen lijken allemaal op elkaar: ze zijn mollig, met gevulde boezems, ze hebben ovalen gezichten met kleine monden en dragen het lange haar glad langs het gezicht naar achteren, met een strenge scheiding in het midden. Hun armen zijn vaak veel te lang, of beginnen te laag aan de schouders.

Ingres heeft een heel eigen idee van ideale proporties en van de anatomie van het lichaam. Zijn geometrisch ideaal gaat zó ver dat de Grande Odalisque, met haar ellenlange rug, een perfecte bol (een borst) onder haar ene oksel heeft en een perfecte driehoek onder de andere, gebogen arm.

Het eigenlijke onderwerp is niet de individuele persoonlijkheid van de geportretteerde vrouw, maar haar kleding en juwelen, en haar huid. In de uitbeelding van stoffen is Ingres ongeëvenaard. De blik verdrinkt in het koele azuurblauw van het glanzend satijn van de Princesse Albert de Broglie. Het contrast van dit blauw met haar ivoorkleurige teint is bijzonder geraffineerd. Ingres' fetsjistische aandacht voor objecten en materialen heeft een erotiserende werking. En vooral in de kleurschakeringen van de huid toont Ingres zich onovertroffen als colorist.

Steeds strijden de ‘primitivistische' of ‘gotische' neiging - zoals critici uit zijn tijd het noemden - tot vervorming en de hang naar een universeel, klassiek ideaal om de voorrang. Rafaël was zijn grote voorbeeld, wat vooral zichtbaar is in zijn religieuze schilderijen en tekeningen. Ook hier is de verwrongenheid herkenbaar. Zijn Madonna-schilderijen zijn een kitscherig mengsel van religieus sentiment en lichamelijke wellust.

Het hoogtepunt van het oeuvre van Ingres zijn de exotische naakten, zoals de Grande Odalisque, La Grande Baigneuse (1808), of, een heel laat werk, Le Bain Turc (1852-59). Ze vormen een nieuw typologie in de kunst, afgeleid van de Venus-schilderijen van Titiaan. Ze zijn, als vrij werk ontstaan, de meest directe uitdrukking van zijn kunstenaarschap en maken Ingres tot een directe voorloper van de moderne kunst. De poezeligheid van Renoir, de decoratieve arabeske van Matisse, de deformaties van Picasso, het is hier allemaal.

Volgens sommigen werd Ingres gekweld door de gedachte dat hij te laat was geboren. De idee dat hij aan het eind stond van een grote artistieke traditie - die van het classicisme - bezorgde hem grote angst en twijfel. Hij moest die traditie verdedigen èn ondermijnen om zijn originaliteit te bewijzen. Misschien is dit gevoel van ‘te laat', deze subversieve verhouding tot de traditie, dat Ingres zo hedendaags en (post-) modern maakt. De tentoonstelling laat zien dat Ingres, ondanks zijn twijfel, volkomen slaagde in zijn gepassioneerde streven om een originele kunst te scheppen, een kunst die geworteld is in de traditie en er aan ontstijgt.

Ingres 1780-1867. Louvre, Parijs tot 15/5. Dagelijks 9-18 uur, wo en vrij 9-21.45 uur, di gesloten.