De kunst gaat voor de baat uit

In 1998 schilderde Nel van Wijngaarden, begenadigd realistisch dierportrettiste, haar schilderij Victory Boogie Woefie. Het was een persoonlijk commentaar op de aanschaf van Mondriaans Victory Boogie Woogie door de directie van De Nederlandsche Bank, die met dit geschenk voor de Nederlandse bevolking de afschaffing van de gulden wilde markeren. Van Wijngaarden schilderde een cocker spaniel die de Victory Boogie Woogie aan flarden scheurt. Maar met dit schilderij is meer aan de hand dan een kunstenares die protesteert tegen de aankoop van een schilderij voor 35 miljoen euro. Er is namelijk een anekdote aan verbonden die de mores van het kunstcuratorschap aan de kaak stelt: het werk mocht niet hangen op een expositie in het kasteel van Baarn. ‘Men was bang voor commentaar van de Mondriaan-aanhang!' aldus van Wijngaarden op haar website.

Victory Boogie Woefie (1998), schilderij van Nel van Wijngaarden

De anekdote rond de Victory Boogie Woofie zou goed passen in het boekje Imaginaire economie van Volkskrant-redacteur, econoom en kunsthistoricus Olav Velthuis. Zijn essay handelt over de reflectie die de kunst biedt op economische processen en de uitkomst daarvan. Hij meent dat veel te leren is van de manier waarop kunstenaars de economie beschouwen. Kunst geeft non-verbaal, visueel en intuïtief commentaar op economische vraagstukken. Er zijn zelfs kunstenaars die een andere economie verzinnen, gebaseerd op schenking of nutteloosheid. Het zijn vormen van kennis die niet voorhanden zijn in de op meetbare gegevens en utiliteit gebouwde wereld van de zakenvrouw of de professionele econome; alternatieve kennis die mogelijk even waardevol kan zijn als boekhoudwijsheid.

Er bestaat een tegenstelling tussen de exacte ondubbelzinnigheid van de boekhouding en het intuïtieve multi-interpreteerbare dat ieder goed kunstwerk kenmerkt. Het verkennend essay is dan ook nuttig omdat Velthuis kunsthistoricus is en econoom; hij promoveerde op een dissertatie over de kunstmarkten in Amsterdam en New York.

Velthuis kijkt naar de bovenbouw om iets van de onderbouw te leren. Hij studeert ‘imaginaire economie' en adviseert iedereen die iets wil begrijpen van actuele ruilprocessen, productiepatronen of eigendomsverhoudingen om een museum voor moderne kunst te bezoeken. Anders dan Velthuis geloof ik niet dat imaginaire economie een recent verschijnsel is. Men mist in zijn overzicht de doelbewuste reflectie van Daumier of Monets impressies van het nieuwe stoomtijdperk in zijn serie over het station van St Lazare. Mercurius was voor de Romeinen de god van de handel én van de kunstschilders. En bieden de gehamerde grotschilderingen uit Valcamonica geen duiding van het magische aspect van de jager als de oerproducent die hij nog steeds is?

Hoe komt Velthuis bij de idee dat imaginaire economie iets nieuws zou zijn? De meest voor de hand liggende verklaring is dat hij te veel het perspectief van de kunsthistoricus hanteert. Velthuis analyseert kunst en concentreert zich op het contemporaine. Alle kunst reflecteert op de maatschappij; economie vormt een onlosmakelijk onderdeel van die maatschappij en economie wordt dus bewust of onbewust gereflecteerd in iedere kunstuiting. Velthuis doet te dik waar de toegevoegde waarde van de kunstzinnige beschouwing van economische vraagstukken mij te dun is. Wie The General Theory of Employment, Interest and Money uit 1936 van de econoom John Maynard Keynes heeft gelezen weet bij voorbeeld dat Keynes het verstoppen van grote sommen geld al in de crisisjaren als gedachte-experiment verzon om daarmee de onhoudbaarheid van de klassieke economische opvattingen aan te tonen. Het in Imaginaire economie besproken kunstproject van de Büchel en Motti, die in 2002 een cheque van 50.000 frank wilden verstoppen, heeft dus ruim een halve eeuw liggen rijpen in de schoot van de economische literatuur.

Velthuis slaagt er niet in om het extra dat de kunst kan bieden overtuigend voor het voetlicht te krijgen. Van een kunsthistoricus die tevens econoom is mag men bovendien verwachten dat hij de kunsthistorische interpretaties toetst aan en verrijkt met economische inzichten. De duiding van een econoom moet toch wezenlijk anders zijn dan die van de kunsthistoricus. Velthuis onderkent onvoldoende dat het ineenstorten van de kunstmarkt tegen het eind van het vorige millennium waarschijnlijk een logisch gevolg is van de verkrapping van het monetaire beleid van de Amerikaanse Centrale Bank, die een einde maakt aan een periode van asset inflation, en waarbij zeepbellen op de aandelenmarkt en de kunstmarkt tegelijkertijd worden doorgeprikt. Net als op de aandelenmarkt gaat het op dat moment bij de kunstwereld om investeringen in markten waar de prijsstelling iedere relatie met onderliggende waarden heeft verloren. De kunsthistoricus stelt het einde van een tijdperk vast; de econoom herkent de renteverhoging van de FED.

Een tweede voorbeeld is de slechte inkomenspositie van het merendeel der kunstenaars. Dit is een onderwerp dat door de econoom en beeldend kunstenaar Hans Abbing is aangekaart in zijn Why Artists Are Poor? en dat een zelfstandig en terugkerend thema in Imaginaire economie vormt. Er zijn veel verklaringen voor dit verschijnsel denkbaar en de meeste passeren de revue. Maar de meest voor de hand liggende verklaring, de wet van vraag en aanbod, komt er mager van af. Kunst maken zou wel eens gewoon te bevredigend kunnen zijn en als dat zo is zijn er ‘te veel' kunstenaars en kunstwerken. Gelukkig trekt de kunstenaar zich weinig aan van de econoom!

Olav Velthuis: Imaginaire economie. NAi Uitgevers, 143 blz. euro 14,50