De ‘canon' moet je doen

Siep Stuurman verklaarde twee weken geleden in Boeken, dat de klassieke, westerse canon zo goed als dood is. David Rijser ziet juist veel tekens die op het tegendeel wijzen: de traditie is ‘ alive and kicking'.

In Siep Stuurmans beschouwing naar aanleiding van De canons. Wat iedereen wil weten over geschiedenis, literatuur, filosofie, kunst en wetenschap van Herman Beliën en anderen (Boeken, 17.03.06), staat veel goeds. Bijvoorbeeld dat ‘een canon geen lijstje weetjes' is, of dat een canon ‘niet kunstmatig gemaakt kan worden'. De inzet van het besproken boekje van Beliën c.s. komt ook op mij enigszins naïef over. Boekjes met canon's doen mij altijd denken iemand die zich voorneemt te leren tennissen en daartoe thuis in de leunstoel een tennishandboek ter hand neemt. De kritiek dat de canon ‘niet maakbaar' is, is pertinent. Wat Stuurman er tegenover stelt is dat niet.

In de eerste plaats kan een canon uit niets anders dan kunstwerken bestaan, als we enig verband met het klassieke begrip in stand willen houden. Net als zijn tegenstanders gaat Stuurman bovendien uit van dingen die je wil of moet weten over cultureel relevante onderwerpen. Maar het gaat maar ten dele om weten.

In de Oudheid sprak men behalve van canon (‘richtsnoer') in de beeldhouwkunst, ook van prattomenoi, auteurs die ‘gedaan' werden. Canonische werken moeten interpreteerbaar zijn, telkens opnieuw en telkens anders, want juist die activiteit maakt ze canonisch. Maar deze activiteit bestaat niet primair uit weten, maar uit het interpreteren: de werken die tot de canon behoren lezen, bekijken, beluisteren, bewerken, verwerken, actualiseren, verwerpen en omarmen. Zo ontstaan vanzelf nieuwe werken, nuances, interpretaties en vooral kunstwerken. Omdat deze zonder de voorgangers niet goed begrijpelijk zijn, is de canon zo belangrijk. Belangrijker nog: de canon is geen statisch, conservatief bolwerk, omdat hij zich op deze manier bijna automatisch hernieuwt, terwijl de kern ervan min of meer constant blijft.

Daarom is het ook een misverstand te menen, zoals Stuurman doet, dat de canon op sterven na dood is. Stuurman stelt dat zodra er klasjes bijbelkennis nodig zijn, de christelijke canon in een terminale fase verkeert. Daarmee laat hij slechts zien dat kennis omtrent het christendom ernstig is afgenomen. Maar de canon? Neem de Matthaeus-Passion van Bach. Deze wordt dezer dagen onverminderd intensief uitgevoerd, meegezongen, in de krant besproken, op de televisie vertoond, in kleine en grote kring toegelicht en gedraaid. Is dit een collectieve doodsrochel? De doodverklaarde canon leeft: Homerus wordt gelezen, Shakespeare uitgevoerd, Rembrandt bekeken, Mozart beluisterd. Maar de canon leeft in de kunsten, en niet in de lijstjes en de weetjes.

Onze canon zou alleen stervende zijn als creatieve interpretaties niet meer zouden plaatsvinden. Op dit punt maakt Stuurman dezelfde vergissing als zijn tegenstanders; de vaak onuitstaanbaar plechtstatige verdedigers, makers en opwerpers van de ene na de andere canon. Ook in het onderwijs speelt de canon nog steeds een rol. Zeker, door een aantal rampzalige ‘hervormingen' in het onderwijs, is daar steeds minder tijd voor. Maar helemaal weg is het niet, zolang er nog docenten zijn met hart voor hun vak - en die zijn er.

Is er dan geen vuiltje aan de lucht? Toch wel. Het belangrijkste probleem betreft de kennis van de context. Om je serieus met canonische kunstwerken te verstaan, is een zekere kennis van de historische context nodig. Daar ontbreekt het tegenwoordig vaak aan - dat is ook de reden waarom men de lijstjes met weetjes opstelt. Prima natuurlijk, maar noem het geen canon. Het probleem van gebrekkige kennis is gelukkig anders dan de canon zelf, wèl te beïnvloeden. Niet door het lezen van lijstjes, maar door bij het doen van de canon wat deskundige uitleg te geven, door daar als overheid tijd en geld voor uit te trekken, in het onderwijs en, als het even meezit, ook in de media.

De canon zelf is, anders dan Stuurman meent, geen wereldbeschouwing. Als canonische werken één ding gemeenschappelijk hebben, is het dat ze niet éénduidig zijn. Het duiden, of liever betekenis geven, dat moeten wij doen, de gebruikers. De canon geeft ons daartoe alleen de gelegenheid. Wie de handschoen niet oppakt, doet zichzelf tekort.

Canon

Siep Stuurman heeft wel een beetje gemakkelijk praten met zijn kritiek op het canonboekje van Beliën en de zijnen (Boeken, 17.03.06). Hij gaat er blijkbaar van uit dat er nog voldoende lezers zijn die zijn artikel überhaupt kunnen begrijpen. Zijn tekst barst van de verwijzingen naar een impliciete canon die hij bij zijn lezers veronderstelt. ‘De hertog van Alva deugde niet en de Gouden Eeuw was een bloeitijd'. Pardon? Over wie heeft u het? Alva? Nooit van gehoord. En wat is een Gouden Eeuw? Hij heeft het over een klein aantal verhalen die vroeger betekenis voor hem hadden, ‘zoals de apologie van Socrates en de listen van Odysseus'. Kunt u even toelichten wat u daarmee bedoelt? Anders kunt u die zin net zo goed niet schrijven. Dan wordt het net zo iets als ‘de listen van Arung Palakka en Sawerigading' (twee figuren uit de traditie van Zuid-Celebes, voor wie deze geschiedenis toevallig niet kent). Bij het ontbreken van enige canon wordt het artikel van Stuurman volstrekt onleesbaar. Die consequentie zou hij dan ook moeten nemen. Het vertalen van ‘hoi polloi' met ‘de velen' om degenen die de gymnasiale canon niet meer beheersen van dienst te zijn, is dan volstrekt onvoldoende.

Natuurlijk zijn canons angstvallig en behoudzuchtig. Natuurlijk is de bijbelse canon op sterven na dood. Maar verdienen ze om die reden geen verdediging? Voor alles moet worden vastgesteld dat Stuurman zijn opmerkingen kon opschrijven en afgedrukt krijgen omdat er iemand in de NRC-redactie was die begreep waar hij het over had. Diegene beheerste ongeveer dezelfde canon als Stuurman. Die westerse, die vroeger op gymnasia bestond. Heel langzaam en sluipend wordt hij afgebroken. Stuurman zou nog versteld staan als hij wist hoeveel intelligente lezers nu al geen idee meer hebben waarover zijn verhaal eigenlijk gaat. Wie traditionele canons met voortvarendheid wil afbreken, moet ook accepteren dat hij op een dag wakker wordt in een wereld waarin niemand hem meer begrijpt.

Arie Wilschut

Hoofddocent geschiedenis

Hogeschool van Amsterdam

Canon 2

Siep Stuurman stelt vast dat de vaderlandse discussie over de canon in een terminale fase verkeert. ‘Een echte canon kan nu eenmaal niet kunstmatig gemaakt worden. Met louter pedagogische middelen laat zich geen wereldbeschouwing decreteren', aldus Stuurman. Verder stelt hij dat het niet om kennis gaat maar ‘om een interpretatiekader dat nieuwe kennis kan opnemen. Een levende canon is toekomstgericht.' Uit deze citaten mogen we gelukkig nog wel concluderen dat Stuurman het bestaan van een echte canon voor mogelijk houdt en wellicht zelfs zinvol acht. De auteur relateert de canon aan een wereldbeschouwing. Minder nationaal, liefst ook niet te eng Europees, maar mondiaal.

De canon heeft naar mijn mening op de eerste plaats te maken met het bieden van mogelijkheden aan mensen om zich verbonden te weten met hun historie, om deel uit te maken van een gemeenschap. Daar kan de hele wereld een rol in hebben gespeeld, maar het gaat uiteindelijk om een groep die cultureel verwant is. Binnen een staat kunnen heel goed canons bestaan die verschillen, omdat ze sub-culturen betreffen. Wat aan de orde is, is dat we de afgelopen decennia even vergeten waren dat samenleven te maken heeft met binding, in ruimte en tijd.

Opvoeders en opleiders hebben de opdracht jongeren kennis te laten maken met de wortels van hun bestaan en ze duidelijk te maken waar de wereld waarin ze terechtkomen en de ideeën waarmee ze te maken krijgen, vandaan zijn gekomen. Ik geloof niet dat we ons in deze tijd zorgen hoeven te maken over de conserverende krachten die hierdoor zouden kunnen worden aangewakkerd. Ik geloof eerder dat een beetje tegenwicht tegen de blinde vlucht naar voren zoals die zich tegenwoordig op vele fronten voordoet, geen kwaad kan.

Gerard van de Schootbrugge

Nootdorp

Het artikel van Siep Stuurman, ‘Laatste saluut aan de canon' (Boeken, 17.03.06) is nog te lezen op www.nrc.nl