Canon

Siep Stuurman heeft wel een beetje gemakkelijk praten met zijn kritiek op het canonboekje van Beliën en de zijnen (Boeken, 17.03.06). Hij gaat er blijkbaar van uit dat er nog voldoende lezers zijn die zijn artikel überhaupt kunnen begrijpen. Zijn tekst barst van de verwijzingen naar een impliciete canon die hij bij zijn lezers veronderstelt. `De hertog van Alva deugde niet en de Gouden Eeuw was een bloeitijd`. Pardon? Over wie heeft u het? Alva? Nooit van gehoord. En wat is een Gouden Eeuw? Hij heeft het over een klein aantal verhalen die vroeger betekenis voor hem hadden, `zoals de apologie van Socrates en de listen van Odysseus`. Kunt u even toelichten wat u daarmee bedoelt? Anders kunt u die zin net zo goed niet schrijven. Dan wordt het net zo iets als `de listen van Arung Palakka en Sawerigading` (twee figuren uit de traditie van Zuid-Celebes, voor wie deze geschiedenis toevallig niet kent). Bij het ontbreken van enige canon wordt het artikel van Stuurman volstrekt onleesbaar. Die consequentie zou hij dan ook moeten nemen. Het vertalen van `hoi polloi` met `de velen` om degenen die de gymnasiale canon niet meer beheersen van dienst te zijn, is dan volstrekt onvoldoende.

Natuurlijk zijn canons angstvallig en behoudzuchtig. Natuurlijk is de bijbelse canon op sterven na dood. Maar verdienen ze om die reden geen verdediging? Voor alles moet worden vastgesteld dat Stuurman zijn opmerkingen kon opschrijven en afgedrukt krijgen omdat er iemand in de NRC-redactie was die begreep waar hij het over had. Diegene beheerste ongeveer dezelfde canon als Stuurman. Die westerse, die vroeger op gymnasia bestond. Heel langzaam en sluipend wordt hij afgebroken. Stuurman zou nog versteld staan als hij wist hoeveel intelligente lezers nu al geen idee meer hebben waarover zijn verhaal eigenlijk gaat. Wie traditionele canons met voortvarendheid wil afbreken, moet ook accepteren dat hij op een dag wakker wordt in een wereld waarin niemand hem meer begrijpt.