Burgerlijke ongehoorzaamheid

Als je in Nederland promoveert tot doctor in, pakweg, de rechtsgeleerdheid of desociale wetenschappen, krijg je een bul overhandigd ‘door rector, secretaris en promotores ondertekend en met het grootzegel der universiteit bevestigd’. De overhandiging gaat gepaard met een plechtige speech waarin de jonge doctor wordt uitgelegd dat hij nu gerechtigd is tot allerlei privileges, ‘door de wet en de gewoonte aan het doctoraat verbonden’. Ten slotte wordt de promovendus op het hart gedrukt nooit te vergeten welke verplichtingen zijn nieuwe status schept, ‘jegens de wetenschap en jegens de samenleving’.

Zo'n ritueel heeft een vrij hoog poppenkastgehalte, met veel zwarte toga's, baretten en gekleurde linten, maar de grondgedachte erachter is mooi. Men wordt volwaardig lid van de academische gemeenschap en men aanvaardt de daarbij behorende morele normen.

Wat daar precies onder valt is nooit helemaal duidelijk, maar over sommige normen zijn universitaire medewerkers het allemaal eens. Plagiaat is een wetenschappelijke doodzonde. Je mag geen onderzoeksresultaten vervalsen. Je hoort geen conclusies bij te kleuren, omdat de financier van je onderzoek dat graag zou zien. Studenten moeten worden beoordeeld op hun prestaties, niet op hun charmante glimlach of de sociaal-economische status van hun ouders.

In principe is de maatschappij zo ingericht dat het niet moeilijk is om je aan die normen te houden. De regels vanuit de overheid en de maatschappij ondersteunen de morele normen aan de academie. Op bange momenten probeer ik me wel eens voor te stellen wat er zou gebeuren als dat niet meer het geval zou zijn. Stel dat de normen van hogerhand een klein beetje zouden worden ondermijnd. Ik zeg nadrukkelijk: een beetje. Wat er zou moeten gebeuren als die normen van bovenaf finaal kapot worden gemaakt, is wel duidelijk.

Als een abjecte overheid zou decreteren dat joodse studenten voortaan niet meer welkom zijn aan de academie, behoor je daar als universiteit, en als individuele docent of hoogleraar, niet aan mee te werken. Op zo'n moment is er geen sprake van een moreel probleem, dan is het alleen de vraag of je dapper genoeg bent om immorele overheidsbevelen naast je neer te leggen.

Het wordt veel ingewikkelder als er sprake is van kleine inbreuken op de morele orde. Stel dat de overheid de universiteiten een zware ‘inverdienverplichting' zou opleggen. Om in aanmerking te komen voor overheidsfinanciering moeten universitaire medewerkers de helft van hun inkomen bijklussen op de vrije markt. Kun je dan nog vasthouden aan het academische principe dat er geen conclusies mogen worden bijgekleurd om opdrachtgevers te plezieren? Of maak je het jezelf dan wel heel erg moeilijk? Wie wordt er trouwens minder van als je die conclusies een beetje zou gaan bijkleuren? De opdrachtgever is gelukkig. Jij bent klaar met inverdienen en je kunt je verder wijden aan je studenten en je reguliere onderzoek.

Zouden die studenten en je reguliere onderzoek er niet onder lijden als je hardnekkig zou vasthouden aan je principes? Is het niet handiger om die principes een tikje te herzien? Is dat niet eigenlijk wat de overheid namens de samenleving van jou verlangt als ze zo'n zware inverdienverplichting oplegt? En je leeft toch in een democratisch land, waar je overheidsregels mag beschouwen als breed gedragen normen? Nou dan! Ik hoor het mijzelf en mijn collega's denken en hoop van harte dat wij tegen deze pressie bestand zouden zijn.

Gelukkig verkeren wij niet in deze situatie. Wie wel in deze situatie verkeren, of althans in een vergelijkbare situatie, zijn de dokters. Artsen zijn nog veel sterker gesocialiseerd tot leden van een morele gemeenschap dan academici aan de universiteit. Wat de morele codes van hun beroep zijn, is ook gemakkelijker ondubbelzinnig vast te stellen.

Een van die morele codes is, zo heeft de Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering van de Geneeskunst een- en andermaal benadrukt, dat patiënten moeten worden beoordeeld op medische criteria. Voor de dokter gaat het er niet om hoe rijk wij zijn, hoe lief wij zijn en wat voor geloof wij belijden. Voor de arts telt alleen hoe ziek we zijn en hoe urgent onze behoefte aan medische hulp is.

Wat gebeurt er nu als een arts van het ziekenhuismanagement te horen krijgt dat hij patiënten die verzekerd zijn bij Zorg en Zekerheid voortaan eerst moet behandelen, ongeacht hun medische toestand? Het gaat hier niet om een abjecte schending van de mensenrechten, de arts krijgt niet de opdracht andere patiënten te laten doodbloeden.

Het gaat hier om een logisch gevolg van een nieuw zorgverzekeringsstelsel dat is aangenomen door een democratisch gekozen parlement. Het gaat hier dus om een kleine maar onmiskenbare ondermijning van de morele orde in de medische professie.

Wat moet je daarmee aan als arts? Meebuigen zolang er geen doden vallen? Als je meewerkt, verdient het ziekenhuis misschien wel extra geld of extra apparatuur. Daar wordt toch iedereen beter van, ook die patiënten die niet verzekerd zijn bij Z & Z? Nou dan!

Zijn artsen bestand tegen deze sluipende aantasting van hun beroepsethiek?