Speerpuntindustrie

Goed nieuws uit de hoek waar jarenlang de klappen vielen: de Nederlandse scheepsbouw zit in de lift. Enkele recente berichten over deze oude industrie: scheepswerf De Vries in Makkum breidt uit; werf Damen is de slechte jaren te boven en gaat vijf veerschepen voor Turkije bouwen; wellicht zullen in het voormalige scheepsbouwdorp Krimpen aan den IJssel weer boten van de helling lopen. En dan de onvermijdelijke domper: er dreigt personeelsgebrek door het succes in de scheepsbouw.

De Nederlandse scheepsbouwers hebben jarenlang malaise gekend. Buitenlandse concurrentie had deze sector bijna gesloopt. Beroemde werven, vaak met een lange en mooie geschiedenis, moesten hun poorten sluiten. Wie in de jaren zestig over de Waterweg naar het oosten voer, langs de Botlek en de Waalhaven richting Krimpen, Capelle, Bolnes en Slikkerveer, kon dag en nacht het gekrioel en gehamer op de scheepswerven zien en horen. Ze gaven werk aan tienduizenden. In de jaren zeventig en tachtig, na het industriële en politieke drama van de ondergang van het Rijn-Schelde-Verolmeconcern, leek het met de Nederlandse scheepsbouw gedaan.

Maar wat de crisis doorstond, is sterk. Het zijn doorgaans gesaneerde, gespecialiseerde bedrijven, die zich toeleggen op de productie van schepen die te ingewikkeld zijn voor buitenlandse concurrenten: baggervaartuigen, patrouilleboten, slepers en veerschepen. Voor deze ondernemingen was het wachten tot de markt zou aantrekken. Ergens in 2004 brak dat moment aarzelend aan en het hoogtepunt is nog niet bereikt. In 2005 boekten de Nederlandse werven voor een recordbedrag van 2,8 miljard euro aan nieuwe orders. Dat is verheugend voor een bedrijfstak waarin jarenlang hel en verdoemenis de boventoon voerden.

De scheepsbouw doet het goed dankzij de toegenomen vraag naar zeetransport, die deels weer te danken is aan de enorme exportdrang van China. Maar ook het feit dat de offshore-industrie opbloeit door de stijgende vraag naar olie, pakt gunstig uit voor de werven. Er is bovendien veel baggerwerk, waar nieuwe schepen voor nodig zijn.

Maar geen bloei zo mooi of er zit een luchtje aan. Geschoold technisch personeel is schaars. Wie de achterliggende jaren voor puntlasser of scheepsbouwkundige wilde leren, werd meewarig aangekeken. Dat wreekt zich nu. De scheepswerven moeten het steeds meer doen met buitenlanders en sterk vergrijzende Nederlandse werknemers. Waar blijft de jeugd? De scheepsbouw had ongetwijfeld een losers-imago, maar door de opleving verdienen de werven hernieuwde appreciatie. Het zijn oorden van hoogwaardig technisch werk en innovatie, waar goed geld is te verdienen.

Technisch onderwijs is een algemeen belang, door de overheid aan te sturen en te stimuleren. En hoewel de staat zich verre dient te houden van subsidieverstrekking - een oud zeer in de scheepsbouw - zou het minister Brinkhorst van Economische Zaken sieren als hij eindelijk met een regeling komt die innovatie bij de werven ondersteunt. Die werkt al, met succes, in Duitsland, Frankrijk en Spanje. Nu moet Nederland laten zien wat deze 'speerpuntindustrie' haar waard is.