'Nederland is veel te star'

Wat Nederland in de Europese Unie precies wil bereiken is vaak onduidelijk.

Vakdepartementen moeten een toontje lager zingen,

Nederland moet niet zo zeuren over zijn tanende invloed in Europa. Geklaag over de uitbreiding, de dictatuur van de grote lidstaten, de bemoeiziekte van Brussel, het leidt aandacht en energie af van wat Nederland zélf kan doen om invloed te behouden of zelfs te vergroten.

Mendeltje van Keulen (30) promoveert vandaag op de manier waarop een klein land als Nederland toch invloed kan uitoefenen op de Europese Unie, die steeds groter en ingewikkelder wordt. In haar proefschrift Going Europe or going Dutch. How the Dutch government shapes Europes Union Policy stelt ze dat Nederland te veel kansen laat liggen.

Van Keulen: 'Dat kan voorkomen worden door in een vroeger stadium dan nu gebeurt invloed uit te oefenen op de besluitvorming. Een goed moment is bijvoorbeeld als ambtenaren van de Europese Commissie een voorstel voor een richtlijn aan het schrijven zijn. Grotere landen kunnen het zich op zulke momenten veroorloven even niet op te letten. Die hebben namelijk een groter stemgewicht als er uiteindelijk over een onderwerp wordt beslist. Nederland kent die luxe niet.

'Ten tweede zouden ministers van het begin tot het eind politiek betrokken moeten zijn bij een Europees dossier - en moeten blijven. Nu gebeurt dat te ad hoc, bijvoorbeeld pas als er problemen dreigen bij de uitvoering van een richtlijn, zoals bij de luchtkwaliteit.

'En ten derde creëer je meer kansen door een duidelijke strategie te kiezen; welke doelstellingen willen we bij welk dossier bereiken? De enig zichtbare strategie die Nederland de laatste tijd heeft gehad, is: minder betalen aan Brussel. Maar wat het precies wilde binnenhalen bij bijvoorbeeld de dienstenrichtlijn bleef onduidelijk.'

Wat is er nieuw aan uw proefschrift?

'Dat ik aan de hand van de totstandkoming van twee richtlijnen ben gaan kijken hoe en op welke momenten precies Nederland zijn invloed kan vergroten. Daarbij bleek dat Nederlandse ambtenaren nogal eens star opereren. Ik vond zo'n reactie des te vreemder, omdat Nederland als polderland op consensus is gericht. Europa werkt net zo. Er valt altijd wel iets voor een lidstaat te regelen. Uitgerekend Nederlanders zouden zich dat moeten realiseren.'

Is die starheid een algemener probleem?

'Ja, zeker. We troffen die ook aan toen wie hier bij Clingendael onderzoek deden naar de totstandkoming van de Luchtkwaliteitswet. Nederland bleek een star onderscheid te hanteren tussen enerzijds beleidsbeïnvloeding en anderzijds implementatie. Daardoor zag het kabinet de grote gevolgen niet aankomen.'

Doen andere kleine landen het beter?

'We kunnen leren van het Deense voorbeeld. Daar bespreken ministers en parlement al in een vroeg stadium de mogelijke praktische gevolgen van Europese wetsvoorstellen. Ze houden ook hoorzittingen met maatschappelijke groeperingen. Bovendien dwingt het Deense parlement betrokken ministers tot vroege en constante bemoeienis met het onderwerp.'

U stuitte ook op groeiende bemoeienis van de Haagse vakdepartementen met het Europabeleid. Maken zij de ontwikkeling van een gezamenlijke strategie niet extra moeilijk?

'Dat maakt juist de noodzaak van zo'n strategie des te groter. Veel vakdepartementen hebben zich de laatste jaren keurig geëuropeaniseerd en hun eigen kanalen in Brussel ontwikkeld. Hetzelfde geldt overigens voor gemeenten en provincies. De paradox is dat Nederland als geheel daardoor moeilijker z'n belangen in de EU kan verdedigen, omdat departementen te veel hun eigen gang gaan. Je kunt dan wel zeggen, zoals de Raad van State doet, dat de premier een sterkere rol bij de coördinatie moet krijgen. Maar zo'n voorstel vind ik niet zo interessant. Nederland moet gewoon zijn gedrag aanpassen door vroeger en strategischer in actie te komen.'