'Lekker happie'

Gerard Reve is aan het doodgaan. Regelmatig sijpelen uit België berichten over zijn trieste toestand binnen. De necromachine van de media draait al op volle toeren: geschreven herinneringen, in memoriams en documentaires zijn in de maak. Nog even die laatste adem en de rouwfanfare kan losbarsten. Niets op tegen. Reve zou het met cynisch welbehagen bezien als hij nog bij kennis was: zijn winkel zal met ere worden opgeheven.

Maar helaas is hij, realistisch gezien, al enige tijd niet meer bij kennis. Hij heeft het laatste stadium van dementie bereikt. Hij herkent niemand meer en kan niet meer praten. Wat rest is een stoffelijk omhulsel waaruit de geest voorgoed is geweken.

Wat doen we daarmee? Zoveel mogelijk met rust laten, zou je zeggen, maar daarvoor is de necromachine te hongerig geworden.

In HP/De Tijd staat deze week een reportage over Reve in zijn Belgische verpleeghuis. Adjunct-hoofdredacteur Ad Fransen is samen met Reve's vriend Joop Schafthuizen bij Reve op bezoek gegaan. Fransen heeft goed opgelet en het vaardig opgeschreven, maar toch begon ik me als lezer gaandeweg steeds ongemakkelijker te voelen. Niet zozeer vanwege de feiten - hoe ontluisterend die ook zijn - maar vooral door de gretigheid waarmee ze opgelepeld worden. Je begint je als lezer een voyeur te voelen, iemand die onder valse voorwendselen ergens binnengedrongen is waar hij niets te maken heeft.

Het had een indrukwekkend verhaal kunnen worden als de journalist zich op het verdriet van Schafthuizen had geconcentreerd en Reve een schim op de achtergrond was gebleven. Maar in plaats daarvan krijgen we te lezen hoe Reve 'als een stuurse kleuter, vastgebonden in een kinderstoel' op het tafelblad zit te trommelen.

Citaat: 'Lekker happie, happie doen, hè', zegt Joop wanneer hij Gerard als een peuter lepel voor lepel zijn appeltaart voert. Het smaakt de schrijver best. Ondanks dat hij zijn mond nog vol heeft, probeert hij gretig te graaien naar het volgende stukje.'

Citaat: 'Zo, mooie knul van de baas, heb je daar ook weer fijn mee gespeeld, hè. Geef maar hier', zegt Joop, nadat Gerard eerst een pakje sigaretten heeft geprobeerd fijn te knijpen en het, toen dat niet lukte, als een klein kind in zijn mond wilde steken.'

Citaat: 'Als Joop op een gegeven moment even naar de hoofdzuster verdwijnt (...) pakt Reve weer onderzoekend het speelgoedbeestje beet. Verbaasd - of is het angstig? - staart hij me aan. Wat ooit vertrouwd was, is allemaal vreemd geworden. (...) Dan ineens komen er toch een paar klanken uit zijn mond. 'Schrum..., brum...'

Verbaasd - of is het angstig? Een goede vraag. Ik denk vooral angstig. Je ziet hier iemand gevangen in zijn totale weerloosheid, alles is hem vreemd geworden, iedereen een onbekend wezen uit een bedreigende wereld. Waarom zou je iemand die het al zo moeilijk heeft nog angstiger maken dan nodig is? Alleen maar voor de losse verkoop?

Twee gedachten kwamen bij me op. Zou Fransen onder zijn dierbaren wel eens een Alzheimer-patiënt hebben meegemaakt? En: als Reve kinderen had gehad, zou dit niet zo gauw zijn gebeurd. Kinderen zullen ervoor waken dat hun ouders zó worden afgebeeld.

Je kunt zeggen: het is de moderne tol van de roem. Als dat zo is, begin ik steeds beter die schrijvers (Hemingway, Hunter Thompson) te begrijpen die zich liever voor hun kop schoten.