Brein slim kind rijpt langer

De hersenschors van zeer slimme kinderen ontwikkelt zich intensiever en langduriger dan de hersenschors van kinderen met een normaal IQ. Daarmee lijkt niet zozeer de omvang van de hersenen, maar vooral de manier waarop het brein is aangelegd in de kinderjaren een maat voor de intelligentie.

Dat schrijven Philip Shaw en zijn collega's van het Amerikaanse National Institute of Mental Health vandaag in het wetenschappelijke tijdschrift Nature. De hersenschors is de plaats waar in het brein de menselijke cognitieve vermogens huizen. Bij superslimme kinderen wordt de schors sneller dik, bereikt zijn maximale dikte op een latere leeftijd, en wordt daarna ook weer sneller dun vergeleken met de schors van normaal intelligente kinderen.

Vooral in het stuk hersenschors pal achter het voorhoofd waarmee we acties plannen en logisch nadenken, de prefrontale cortex, zagen de Amerikanen verschillen tussen de groepen. De kinderen met een hoger ontwikkelde intelligentie hadden een dunnere hersenschors op zevenjarige leeftijd. De dikte nam toe tot ze een jaar of elf waren, en daarna werd de schors weer dunner. Kinderen met een normale intelligentie begonnen met een dikkere schors, bereikten de topdikte al op achtjarige leeftijd, waarna de schors weer langzaam dunner werd. Rond hun achttiende hadden alle deelnemers een schors van ongeveer dezelfde dikte.

Het dunner worden van de schors betekent niet dat de kwaliteit ervan achteruit gaat. Het is juist een teken van reorganisatie en specialisatie, waarbij onnodige zenuwverbindingen weggesnoeid worden, en een efficiënter brein overblijft. De hersenschors van superintelligente kinderen heeft langer de tijd om te rijpen en zich te ontwikkelen, concluderen de onderzoekers. Op die manier kunnen er meer en betere zenuwverbindingen in de hersenschors ontstaan.

De onderzoekers analyseerden hersenscans van 307 opgroeiende kinderen en pubers tussen vijf en achttien jaar.