Wrede maanden

Het was een lange winter.

Negen keer geprobeerd antwoord te geven op de vraag: “Mamma, hoe ga je dood?“ Onder het motto “even een frisse neus' een aantal onaangename wandelingetjes gemaakt die slechts snotneus en chagrijn opleverden. Ruzie gemaakt over hoe de kaas te bewaren als die eenmaal uit zijn supermarktvacuüm is gehaald: in zo'n hardplastic doos van de Blokker, waarop zich aan de binnenkant onsmakelijke condens vormt en waar de jong belegen vervolgens licht vochtig uit te voorschijn komt (standpunt tegenpartij) of in een simpel boterhamzakje (standpunt overwinnaar). Me afgevraagd of het nou wel zo'n goed idee was, die Vinex. Geconstateerd dat we over de al even deprimerende vleeswarendoos gelukkig niet meer hoeven te strijden, aangezien we onder invloed van varkenspest en kippengriep ten lange leste vegetarisch zijn geworden. Me onderweg naar het grote nieuwjaarsvuur met afgebokte den in kruiwagen, door een macrobiotische trui laten overhalen onze kerstboom met kluit “een tweede leven te gunnen“. In het kader van de verkiezingsstrijd geklaagd tegen twee VVD-wethouders, die naar hun brogues staarden. Zeven keer het zwembad bezocht en aldaar gediscussieerd over de vraag of het raadzaam is dat een kind van twee van de wildwaterbaan gaat: “doe effe normaal zeg' (standpunt onderspitdelver), “ja lachen toch en zeik niet zo trouwens' (standpunt totaal onverantwoord gedrag vertonende semi-overwinnaar). Vijf kinderwantjes en vier mutsen kwijtgeraakt. Gehuild toen een kleuter met zijn regenlaars midden in de zo dapper bloeiende sneeuwklokjes ging staan. Een nieuwe spijkerbroek gekocht, waarover helaas niemand opmerkte: “Hé, heb je een nieuwe spijkerbroek?“ Nog maar een omfietswijntje opengetrokken. Twee keer m'n begrafenisschoenen gepoetst. Voor de deur een sneeuwpop gebouwd en vervolgens een week tegen een vieze, grijze, halfweggedooide ijsbal aangekeken, die je bij tijd en wijle zachtjes om euthanasie kon horen smeken in de koude wind.

En dan moet de wreedste maand nog beginnen.