Op elke leeftijd een 8

Rudi Westendorp is 46. Hij is verbonden aan het UMC in Leiden en doet ouderengeneeskunde. Voor hem behoren mensen van 70 tot de broekies. De ouderdom begint bij 75 en spannend (in ieder geval voor zíjn onderzoek) wordt het pas bij 85.

Hij is ervan overtuigd dat de mens is geëvolueerd in een omgeving zonder grootouders. Eigenlijk zijn we voor veertig jaren bedoeld, twintig om volwassen te worden en nog eens twintig om onze kinderen volwassen te laten worden. Daarna een midlifecrisis en “de rest is willekeurige uitloop, toenemende chaos“.

Dat wij van seks houden, dat wij van kleine kinderen houden, natuurlijk. Maar er is geen enkele natuurlijke reden om van oude mensen te houden. Van nature zijn we geneigd in ouderen vooral hun nutteloosheid te zien. Wat dat betreft zal de cultuur ons moeten intomen.

“Laatst“, zegt hij. “Ik moest het gebouw uit, ik had haast. Ik kom beneden bij de draaideur en daar is net een oude vrouw die de knop indrukt om hem op halve snelheid te laten draaien. Mens, denk ik, schiet toch op. Dat is toch geen reactie voor een hoogleraar ouderengeneeskunde!“

Minder grappig wordt het als je ziet dat dergelijke gevoelens ook het beleid van de overheid bepalen. “Die minachting voor het leven aan het eind... onze onwetendheid... de lage prioriteit... dat krenkt mij in het diepst van mijn wezen.“

In de gezondheidszorg ligt het accent op ziektes van mannen op middelbare leeftijd, niet toevallig de leeftijd van de mannen die het onderzoek doen en de gelden daarvoor verschaffen. Hart- en vaatziektes, cholesterol! Voor de ziektes van vrouwen van middelbare leeftijd is er al veel minder aandacht, en voor die van oudere mannen en vrouwen helemaal geen.

“En we weten“, zegt hij, “dat over twintig jaar een kwart van onze bevolking uit ouderen zal bestaan. Straks lopen we tegen een hele range van ziektes aan waar we niets van af weten.“

In dit verband zou hij het begrip “ouderdomsverschijnsel' het liefst uit onze taal willen verbannen. Want dat is maar een eufemisme.

“Veroudering“, zegt hij, “komt in mijn optiek als ziekte naar buiten. Ik heb een bril nodig, mijn ogen zijn ziek. Ik word kaal, mijn haarwortels zijn ziek. Ik loop moeilijk, het kraakbeen in mijn knie is ziek.“

“En daar moet dan wat aan gedaan worden?“ vraag ik.

“Daar kán wat aan gedaan worden. Die kans wordt in ieder geval groter als deze dingen, en er zijn er natuurlijk nog veel ernstiger, gewoon als ziektes worden benoemd.“

“En wij maar ouder worden“, zeg ik.

“Maar dat is niet het doel“, zegt hij. “Dat is een neveneffect. Dat kan ik niet helpen. Mensen komen bij me: dokter, ik heb een probleem. Nou, dan gaan we eens kijken of we daar wat aan kunnen doen. Dat lijkt me normaal medisch handelen. Mensen komen bij me: dokter, het gáát niet meer...“

“En dan hebben ze het over seks?“

“Dat kan.“

“Ook bij 85-jarigen?“

“Ook bij 85-jarigen.“

“En daar doe je dan wat aan?“

“Ja hoor eens, als zij zeggen dat dat een probleem is, dan is het een probleem. Als zij iets als een probleem ervaren, dan heb ik dat maar op te lossen. Ik ben uw dienaar, meneer.“

Nee, bij “dokter, het gaat niet meer' betreft het meestal een geval van wat we “co-morbiditeit' noemen, het gelijktijdig optreden van verschillende ziektes. De hele machinerie knarst en hapert. Soms kan er iets aan een beslissend onderdeeltje versleuteld worden. Soms moet je de patiënt gelijk geven: het gaat werkelijk niet meer. Soms néémt de patiënt zijn gelijk: jij zou dan nog wel wat weten, maar voor hem hoeft het niet meer.

“Met het oudworden“, zegt de dokter, verdwijnt de angst voor de dood. Praten over de dood valt de arts vaak moeilijker dan zijn patiënt.“

“Het mooie van dit vak“, zegt hij, “is de rijkdom van het individu waarmee je in aanraking komt - de helderheid waarmee oude mensen over de waarde van het leven kunnen spreken, hun manier om de vergankelijkheid te accepteren.“

“Ongeacht het opleidingsniveau?“

“Ongeacht het opleidingsniveau! Je zou haast zeggen dat een hoog opleidingsniveau - de illusie van de maakbaarheid van alles, de verdringing van het gevoel door het denken - in dit opzicht eerder een handicap is.“

De dood dus, en de periode die daaraan onmiddellijk voorafgaat. Hoe het moment van ongeneeslijke ziektes steeds verder naar achteren wordt geschoven. Hoe we proberen de gewonnen jaren in de best mogelijke gezondheid door te brengen.

“Het lijkt wel“, zeg ik, “of gezond leven een sociale plicht geworden is.“

“Niet-roken, meer beweging en goed eten“, reageert hij. Maar in dat rijtje is niet-roken eigenlijk het enige wat volstrekt duidelijk is. Stoppen met roken loont op elke leeftijd.

“Maar“, zegt hij, “het is een moreel dilemma of wij als maatschappij iemand kunnen voorschrijven hoe hij zijn leven moet inrichten. De grens is natuurlijk of je alleen jezelf tot last bent of ook anderen.“

“Maar“, zeg ik, “in de gezondheidszorg schijnen we iedereen tot last te zijn.“

Intussen: de gezondheidszorg wordt duurder als mensen minder gaan roken. Longkanker is een uitgesproken goedkope manier van doodgaan. Met een jaartje, zonder veel mogelijkheden tot medisch handelen, is het wel bekeken. Mensen die twintig jaar lang kerngezond hun AOW opstrijken en dan nog eens met alzheimer het verpleeghuis ingaan, die kosten pas geld.

“Goed“, zeg ik, “het uitwerken van dit interview zal wel met een sigaar of vier gepaard gaan.“

Hij schiet in de lach. “Ik krijg“, zegt hij, “uit jouw stukken de indruk dat je worstelt met het leven.“

“O“, zeg ik.

“Maar dit“, zegt hij, “kan ik je meegeven: oudworden is niet iets om tegenop te zien. Ouderen waarderen hun bestaan gemiddeld met een 8. En het grappige is: dat cijfer krijgt het leven ook in alle andere leeftijdsgroepen, altijd een 8. Er is ongetwijfeld sprake van groeiend fysiek ongemak, maar daar staat kennelijk steeds genoeg tegenover.“