Ik bas, dus ik besta

Er zijn poppodia met een slechtere akoestiek dan de Amsterdamse Heineken Music Hall. Maar daar was in de herfst van vorig jaar, bij een concert van de Amerikaan John Legend, weinig van te merken. Legend maakt, om het ruw samen te vatten, een mengeling van soul, arrenbie en hiphop. Het titelnummer van zijn cd Let's get lifted heeft een ritme dat wordt gedomineerd door de basdrum: duh, dudduh-dudduh, duh, dudduh-dudduh. Dat is bijzonder lekker, maar toen het concert inderdaad met deze beat begon, was er niets anders te horen dan een snoeihard, galmend gedreun, waaruit Legend en zijn overige muzikanten zich de rest van de avond probeerden te redden van de muzikale verdrinkingsdood. Denk aan “King Kong krijgt paukles in leeg zwembad', en je komt een beetje in de buurt.

Welkom bij de moderne bas-terreur, want Legends concert mag dan mijn allerergste ervaring zijn tot nu toe, ook recentere concertervaringen wijzen op een trend: bij de meeste popuitvoeringen staat de bas tegenwoordig zó hard dat de rest van de muziek steeds slechter waarneembaar is.

Nu moet live muziek ook wel lekker stevig zijn, en is het fijn om de bassen een beetje in de maag te voelen. Maar te harde bassen maken ziek. letterlijk. De generatie nieuwe wapens voor urban warfare die worden getest door het Amerikaanse leger maken onder meer gebruik van harde, zeer lage geluidsfrequenties om de vijand angstig en misselijk te maken. Desoriëntatie van de tegenstander door bastonen. Dat zegt al genoeg over de verhouding tussen de artiest en zijn publiek.

De basterreur beperkt zich niet tot de podia of de discotheken. Hij is al lang doorgedrongen tot de auto en de huiskamer, meestal in de vorm van een subwoofer, die de laagste tonen produceert. De meeste mensen die ik ken draaien de woofer zo ver mogelijk dicht en zelfs dan is de bas vaak nog te veel. De anderen veroorzaken, onwetend of niet, vooral veel burenleed.

Waar komt de basterreur vandaan? Vast staat niets, maar er is wel een slag naar te slaan. House en hiphop zijn sterk geörienteerd op de basdrum, veel meer dan op de basgitaar (of -synthesizer). Die muziektrend vertaalt zich in de geluidsweergave. Met een analogie uit de economie zou er dus sprake kunnen zijn van een demand pull: een stijgende vraag naar bassen door de veranderde muzieksmaak. Tegelijkertijd kan er sprake zijn van een supply push: het is technisch mogelijk geworden om relatief goedkoop keiharde bassen te produceren zonder veel vervorming. Lage tonen zijn bovendien kennelijk masculien - in ieder geval in de misvatting van de inzittenden van de zomerse autofile richting Bloemendaal aan Zee. Hoor mij, voel mij, vrees mij. Ik bas, dus ik besta.

Er al zijn auto-geluidsversterkers te koop van 1.200 watt, met subwoofers van - geloof het of niet - 3.000 watt. Dat is genoeg voor een middelgrote concertzaal, en kennelijk ook voor het interieur van een Opel Astra.

In de concertzaal zelf maken keiharde bassen een instant indruk op het publiek, maar dienen intussen ook nog een ander doel. Ze maskeren fouten en een gebrek aan strakheid in het spel van de muzikanten. Dat zou al een waarschuwing moeten zijn. Wantrouw het restaurant waar het hoofdgerecht is bedolven onder een overvloedige saus. Wantrouw het concert waar de basterreur de onkunde moet camoufleren. En, net als in de horeca: klaag er voortaan over. Misschien dat die demand pull er dan toe kan bijdragen dat de “laagcultuur' in de popmuziek een beetje binnen proporties blijft.

woensdag@nrc.nl