Het Koninkrijksstatuut staat op springen

Het ongedeelde Nederlandse staatsburgerschap wordt in stukken gehakt ten koste van de Antillianen, meent Ulli d'Oliveira.

Het Koninkrijk der Nederlanden valt stukje bij beetje uit elkaar. De grondgebieden worden herverkaveld doordat de eilanden van de Antillen en Aruba de onderlinge verbanden opheffen en ieder voor zich speciale banden met Nederland aangaan: sommige inniger, andere met meer autonomie. Moeizaam wordt hier naar een nieuw Koninkrijksstatuut geduwd en getrokken.

Ook wat de mensen betreft die gerekend worden tot het Koninkrijk, zijn er sluipende maar tegelijk spectaculaire veranderingen gaande. Het officiële uitgangspunt is dat er een gezamenlijke, ongedeelde nationaliteit bestaat: het Nederlandse staatsburgerschap. Zo verklaarde premier Balkenende in 2002 in antwoord op Kamervragen: “Uitgangspunt is onder alle omstandigheden dat iedereen met een Nederlandse nationaliteit op gelijke wijze zal worden behandeld.“

Inmiddels is dit ondubbelzinnige uitgangspunt niet meer onder alle omstandigheden geldig. In de betrekkingen met de West noem ik een aantal ontwikkelingen uit de laatste tijd die differentiatie tussen Nederlanders meebrengen.

Op 30 januari 2006 is een ontwerp-wetsvoorstel in de openbaarheid gebracht waarin, naast een terugkeerregeling voor Antilliaanse risicojongeren een algemene inburgeringsplicht is voorzien voor Nederlanders die in de West geboren zijn en tien jaar getogen. Ook aldaar genaturaliseerde Nederlanders worden aan deze plicht onderworpen. In feite wordt de nieuwe wet inburgering die geldt voor vreemdelingen tussen 16 en 65 jaar, grotendeels van toepassing verklaard op Antilliaanse Nederlanders, nieuwkomers en oudkomers. Nederlanders moeten inburgeren in Nederland, omdat zij geacht worden weliswaar geheel op de Antillen te zijn geïntegreerd, maar absoluut niet in de Nederlandse samenleving.

De Antilliaanse inburgerings- en naturalisatietoets heeft maar beperkte geldigheid op de eilanden. Hier wordt dus een akelige tweedeling in het Nederlanderschap geschapen, die overzee veel kwaad bloed zet. Door deze move valt het niet te bevatten dat staatsburgers van landen die deel uitmaken van de Europese Unie wel vrijgesteld zijn van deze inburgeringsplicht. Waarom mogen zij niet over een kam geschoren worden met Nederlandse niet-ingeburgerden?

Als Nederlanders wegens gebrek aan integratie aan een inburgeringsplicht worden onderworpen, dan is het zeker geen discriminatie wegens nationaliteit als niet-geïntegreerde EU-burgers aan eenzelfde inburgeringsplicht moeten geloven.

In datzelfde voorstel gaat het ook om de invoering van een terugstuurregeling voor zogenoemde Antilliaanse risicojongeren. Men vraagt zich af waaraan zij deze uitverkiezing te danken hebben. Levert deze selectie geen discriminatie op ten opzichte van bijvoorbeeld Nederlands-Marokkaanse hangjongeren? Waarom mogen Antilliaanse jongeren wel uit Nederland gebannen worden en Marokkaanse risicojongeren niet? Niet dat ik daarvoor pleit: ik wil aangeven dat het hier gaat om hijgerig hapsnapbeleid.

Het ongedeeld Nederlandse staatsburgerschap wordt niettemin nog steeds beleden in een recent stuk afkomstig van minister Pechtold. Het betreft zijn reactie, “nader rapport', van 27 december 2005, aan de Tweede Kamer gestuurd op 6 februari en openbaar gemaakt op 21 februari 2006 op een ongevraagd advies van de Raad van State van 10 december 2004 over de toekomst van het Koninkrijksstatuut.

Hoewel daar dus nog steeds sprake is van ongedeeld staatburgerschap, blijft de minister bij het oude standpunt dat autochtone inwoners van de Nederlandse Antillen en Aruba geen kiesrecht in de Tweede Kamer mogen krijgen. Pas als ze zich buiten de Antillen vestigen, mogen ze stemmen voor het Nederlandse parlement. Bizar. Het argument dat ze een lokale representatie hebben, is niet erg overtuigend. De regering ziet liever geen koninkrijksparlement. De implicatie van deze uitsluiting is, dat zij ook niet kunnen deelnemen aan de verkiezingen voor het Europees Parlement, omdat dit gekoppeld is aan het kiesrecht voor het Nederlandse parlement. Dubbele uitsluiting dus.

In het ontwerp-wetsvoorstel over Antilliaanse risicojongeren en de inburgeringsplicht van Antillianen in het algemeen wordt verwezen naar het juridisch kader dat in 1998 al naar de Kamer was gestuurd ter oriëntatie voor immigratiebeperkende maatregelen. De regering was toen terecht vooral benauwd over de Europees rechtelijke obstakels daarvoor. Een Antilliaan die van zijn circulatierecht gebruik heeft gemaakt, kan niet meer aan beperkende maatregelen in Nederland onderworpen worden. Vandaar dat de regering plompverloren overwoog: “Lidstaten van de EG met onderdanen die woonachtig zijn in landen en gebieden overzee (LGO's), kunnen door middel van een bij het voorzitterschap neer te leggen verklaring aangeven welke onderdanen voor gemeenschapsdoelen als “onderdaan in EG-zin moeten worden beschouwd'.“

Zo hebben in het verleden de Bondsrepubliek de inwoners van Berlijn in- en het Verenigd Koninkrijk de (gekleurde) British Overseas Citizens uitgesloten van hun nationaliteit in de zin van het EG-verdrag. De andere staten zijn verplicht zo'n verklaring te accepteren. Dat zou dus de gaten dichten in de lekke mand van een Nederlandse toelatingsregeling voor Antillianen. In het licht van deze wel heel drastische maatregel, die kennelijk nog niet van tafel is, kan men ook beter verklaren waarom minister Pechtold zich in zijn reactie op het advies van de Raad van State zo ijselijk op de vlakte houdt over de relatie van de Antillen met de EU. De bal wordt naar de Antillen doorgespeeld. Aruba wil LGO blijven, de Antillen onderzoeken of ze niet liever Ultraperifeer Gebied willen worden. Helaas worden de Antillen opgedoekt, dus nu zijn de eilanden ieder voor zich aan zet.

Nederland laat de uitsluiting van de West uit de EU boven de markt hangen. Niets LGO, niets UPG (Ultraperifeer Gebied), maar ontzegging van het Unieburgerschap aan Antillianen behoort nog steeds tot de overwogen mogelijkheden.

Er is maar één conclusie mogelijk. De verzekering van premier Balkenende over het ongedeelde Nederlandse staatburgerschap is onwaar. Steeds meer wordt een primair Europees en een tweederangs Caraïbisch Nederlanderschap gecreëerd als men kijkt naar de aan onze nationaliteit verbonden rechtsgevolgen. Het Koninkrijksstatuut is bijna kaduuk.

H.U.Jessurun d'Oliveira is oud-hoogleraar migratierecht aan de Universiteit van Amsterdam.