Bang voor de toekomst

Vraag de ondernemers hoe het gaat in Europa, en ze blaken van zelfvertrouwen. In Nederland is de stemming in het bedrijfsleven in vijf jaar niet zo goed geweest als nu. Dat geldt, zo bleek gisteren, ook voor Italië. En voor Duitsland kwam de zogenoemde Ifo-indicator voor de stemming onder ondernemers gisteren binnen op de hoogste stand in vijftien jaar. Ook in de rest van de Europese Unie is het vertrouwen van het bedrijfsleven in de toekomst groot.

Vraag de burger hoe het gaat in Europa, en het vertrouwen blijkt broos. Consumenten blikken met iets meer optimisme dan de afgelopen jaren vooruit naar de toekomst, maar daar is dan ook alles mee gezegd. In Nederland stijgt het consumentenvertrouwen al sinds halverwege 2003. Maar zelfs nu overtreft het aantal pessimisten, volgens de telling van het Centraal Bureau voor de Statistiek, het aantal optimisten nog steeds. Dat het vertrouwen hapert, geldt eveneens voor het grootste deel van Europa.

Nu zal, onder de invloed van de aantrekkende conjunctuur, de stemming van de Europese burger nog wel verder verbeteren. Maar het gat tussen burger en bedrijf, of beter: tussen werkgever en werknemer, blijft opvallend. Dat is verklaarbaar. Overal in de EU wordt, aarzelend of niet, gewerkt aan een modernisering van de economie, die moet worden aangepast aan het sterk veranderende internationale economische klimaat. Het bedrijfsleven heeft de winsten al sterk zien verbeteren, hetgeen tot uiting komt in de sterk herstellende beurskoersen. Ondernemingen ontdekken in hoog tempo de voordelen van het (ver) over de grenzen uitbesteden van interne taken, en vervolmaken de internationale productie- en aanvoerketens.

De burger ziet alleen maar zijn zekerheden afnemen. Gisteren gingen tot drie miljoen mensen in Frankrijk de straat op om te protesteren tegen een soepeler ontslagrecht voor jongeren. Een miljoen Britse ambtenaren liep te hoop tegen een verhoging van hun pensioenleeftijd. Eerder was er een groot Duits protest tegen het voorstel om langer te werken. Het verzet is begrijpelijk, maar het draagt ook een zekere wanhoop in zich. De afkalving van de baanzekerheid en de sociale zekerheid lijken een kwestie van tijd. Het handhaven van deze zekerheden maakt de economie zo inflexibel, en de sociale zekerheid zo onbetaalbaar, dat de klap wellicht kan worden uitgesteld, maar dan ook harder zal zijn.

Het zal zeer moeilijk worden om een nieuw evenwicht te vinden tussen de noodzaak tot hervorming en het bestendigen van een billijke verzorgingsstaat waar de Europese burger aan hecht. Het alternatief is een gedeeltelijke terugtrekking uit het speelveld van de internationale economie, waarbij Europa zich liever verschanst dan de uitdaging aangaat. Dat lijkt aantrekkelijk, maar is kortzichtig, ondoenlijk en desastreus. De vervlechting is al zo ver gevorderd dat terugtrekken geen optie meer is. Europa, en zijn burgers, rest weinig anders dan de uitdaging aan te gaan. De werkelijke taak is dat proces zo rechtvaardig mogelijk te voltrekken.