Universiteiten moeten worden opgesplitst

Decentralisatie en schaalverkleining zijn de remedie voor het tekortschietende universitaire bestel meent, Gérard van Tillo

Om de problemen in het onderwijs de baas te blijven wordt geadviseerd de grote onderwijsinstellingen in stukken te hakken. Dat is ook de aangewezen aanpak voor de universiteiten, temeer omdat het tevens de mogelijkheid biedt het universitaire aanbod beter te spreiden.

De sfeer aan de Nederlandse universiteiten wordt bepaald door wat het “academisch onbehagen' genoemd wordt. De hoogleraren en medewerkers aan de Nederlandse universiteiten verkeren voor wat hun werk betreft in een diepe identititeitscrisis.

Dit komt omdat de condities waaronder zij werken zo slecht zijn dat zij geen goede prestaties kunnen leveren. Hieraan liggen structurele oorzaken ten grondslag, maar het komt ook door het gevoerde beleid

Die structurele oorzaken zijn, dat de maatschappelijke waardering voor kennis aanzienlijk gedaald is. Dit betekent niet alleen een gevoelig verlies van prestige, maar is er ook de oorzaak van, dat de politiek naar rato minder geld voor onderwijs beschikbaar stelt.

Hierdoor kan er niet voldoende in onderwijs en onderzoek geïnvesteerd worden en is elke positie aan een universiteit per definitie bedreigd. Maar daarnaast dragen de manier waarop de universiteiten georganiseerd zijn en bestuurd worden, evenals de graaicultuur en de ellebogenmentaliteit bij tot het academisch onbehagen.

Sinds de jaren tachtig is er mede door de opgelegde bezuinigingen op de Nederlandse universiteiten een proces van centralisatie en schaalvergroting op gang gekomen dat geresulteerd heeft in slechts enkele mammoetfaculteiten per universiteit. De trend is om bij deze faculteiten beroepsmanagers aan te stellen, die wel kunnen besturen, maar geen verstand hebben van onderwijs en onderzoek.

Voor hoogleraren die aan het hoofd staan van een afdeling of een leerstoelgroep is het belangrijk om het de decaan naar de zin te maken. De tijd is dan ook al lang voorbij dat je aan een universiteit carrière kon maken met hard werken en het inbrengen van kwaliteit. Wat kwaliteit is wordt bepaald door de machthebbers en niet door de deskundigen.

Een eerste vereiste bij dit alles is om geen kritiek te leveren en zeker niet naar buiten te brengen. Zo zijn de deftige gevels van de universiteitsgebouwen façades geworden waarachter allerlei zaken schuilgaan die het daglicht niet kunnen verdragen.

Het gaat daarbij niet alleen om verstoorde verhoudingen en een verziekte sfeer, maar ook om aperte wetsovertredingen die niet gemeld worden uit vrees voor ontslag. De fraude van instellingen voor hoger onderwijs met inschrijvingen van destijds was daarom geen uitzondering, maar past in het hele patroon van regelloosheid zoals dat in de loop van de tijd aan de universiteiten en hogescholen gegroeid is.

De ongeregeldheden betreffen niet alleen de organisatie en het management, maar ook de inhoudelijke taken van de universiteit, namelijk onderwijs en onderzoek. Dit is niet alleen te horen van insiders, maar blijkt ook uit de inmiddels omvangrijke literatuur die over dit onderwerp sinds de jaren tachtig verschenen is.

De vraag kan opkomen of de hoofdbestuurders van een universiteit dit alles voor hun verantwoording willen nemen. De waarheid is, dat zij van veel zaken niet op de hoogte zijn en dat ook niet willen zijn.

Hun belang is dat er voldoende geld binnenkomt. Wie daarvoor zorgt zit veilig. Wie daar niet aan bijdraagt vliegt er uit. Daardoor lijkt de situatie enigszins op die bij de maffia, waar willekeur heerst en de bazen ongrijpbaar blijven omdat zij geen verantwoordelijkheid nemen voor wat in hun organisatie gebeurt.

De remedie voor deze misstanden is decentralisatie en het zoveel mogelijk herstellen van de kleinschaligheid waardoor de universitaire geledingen in vroeger dagen werden gekenmerkt. Hierbij zou men niet alleen kunnen denken aan een verkleining van de huidige faculteiten, maar ook aan de opsplitsing van de universiteit in kleinere zelfstandige “settings', liefst zo veel mogelijk gespreid over het land.

Het voordeel hiervan is dat ook de geldstromen uit Den Haag worden opgesplitst in kleinere bedragen die gemakkelijker gericht kunnen worden aangewend. Want mede door de mogelijkheden van het virtuele contact en het digitale onderwijs is het niet nodig en niet wenselijk om de mega-organisaties van de huidige universiteiten in stand te houden, met alle kwalijke gevolgen die dat heeft, ook voor de huisvesting en het onnodige heen en weer reizen van studenten.

Het instandhouden van deze probleemsituaties dient meer het belang van commerciële instellingen dan dat van de universiteit. Wel blijven er universitaire centra nodig waar docenten en studenten elkaar kunnen treffen en research-afdelingen gevestigd zijn.

Met dergelijke over het land gespreide studiecentra heeft de Open Universiteit intussen al veel ervaring opgedaan. Een voorbeeld van universitaire spreiding is de trend om ook de niet-academische ziekenhuizen meer bij het onderwijs en het onderzoek van de academische medische centra te betrekken.

Ook zal afgerekend moeten worden met de mythe van de superioriteit van de academische opleiding waardoor massa's hobby- en pretstudenten naar de universiteiten gelokt worden, die het niet gaat om de wetenschap of enig maatschappelijk belang.

Een ander belangrijk vereiste is controle, met name op degenen die met de werving en selectie van de studenten belast zijn. Want als talent geselecteerd blijft worden door mensen die dat zelf niet voldoende kunnen onderscheiden of daarbij hun eigen opties voorrang geven, zullen de Nederlandse universiteiten niet boven de middelmaat uitkomen en het spreekwoordelijk onbehagen nooit te boven komen.

Gérard van Tillo is emeritus-hoogleraar godsdienstsociologie aan de Universiteit van Amsterdam. Hij is de auteur van “Dit volk siert zich met de toga. Achtergronden van het academisch onbehagen' (2005).