Papoea's in actie tegen alles wat riekt naar Indonesisch onrecht

Onrust om een Amerikaans mijnbedrijf en asiel in Australië voor een groep vluchtelingen wakkert de roep om onafhankelijkheid van Papoea aan. Indonesië vreest het Timor-scenario.

Het verleden spookt op Papoea en er vallen doden. Hoeveel precies blijft een kwestie van gissen, omdat de Indonesische autoriteiten iedereen buiten de deur houden. In elk geval zijn vier agenten en een soldaat vorige week door een woedende meute afgemaakt. Het leger, met een lange geschiedenis van meedogenloosheid, schijnt in de districtshoofdstad Jayapura zijn woede te hebben gekoeld. Een hardnekkig gerucht van het afgelopen weekeinde zegt dat zestien Papoea's op hun beurt zijn vermoord. De autoriteiten ontkennen, actiegroepen kloppen het gerucht op. Onafhankelijke waarnemers zijn er niet.

De Papoeabevolking heeft niets met de republiek Indonesië, ruikt sinds de trend naar regionale autonomie in de archipel kansen om de banden zoveel mogelijk door te snijden en komt in actie tegen alles wat riekt naar Indonesisch onrecht op het schiereiland.

Voor de Indonesische autoriteiten - het leger voorop - is er geen groter spookbeeld dan een afbrokkelend eilandenrijk. Na het verlies van Oost-Timor in 2002 en de inmiddels ontwikkelde plannen voor vergaande autonomie voor Atjeh zou een opstand in Papoea een domino-effect teweeg kunnen brengen. Bovendien is Papoea een belangrijke inkomstenbron. Het uitgestrekte gebied is rijk aan grondstoffen die het afgelopen decennium enorm in waarde zijn gestegen: koper, tin en goud.

De Grasbergmijn in Papoea is voor zover bekend de grootste goudmijn ter wereld en de op twee na grootste kopermijn. Exploitatie vindt nog plaats op basis van contracten van kort na de verjaging van de Nederlanders, gesloten tussen het centrale gezag in Jakarta en de Amerikaanse mijnbouwgigant Freeport. Later zijn ze aangepast door het regime van president Soeharto.

Freeport is met de goudwinning de grootste belastingbetaler van Indonesië, maar het is goeddeels geld dat de Papoea's simpelweg als roof beschouwen. De firma zelf heeft ter plekke een reputatie van onverschilligheid jegens het milieu opgebouwd. Het bericht afgelopen weekeinde dat de president-directeur van de firma uit New Orleans vorig jaar een inkomen genoot van veertig miljoen euro - de tweede man met 31 miljoen iets minder - vooral wegens de successen in de bewuste mijn, bevestigde het beeld van bezetting en uitbuiting. Bezetting door Indonesische troepen die zich door de mijnfirma behoorlijk hebben laten betalen (twintig miljoen euro de laatste vijf jaar). Uitbuiting door Amerikaanse kapitalisten die nog steeds hun gang kunnen gaan.

Ook niet bevorderlijk voor de verhoudingen was dat uitgerekend vorige week drie arbeiders omkwamen toen rotsen van de mijn op hun kantine in een afgraving gleden. De firma had enkele weken geleden al een aanvaring met buurtbewoners, die goud zoeken op de afvalbergen van de mijn en daarbij het productieproces van Freeport verstoren.

Freeport stort jaarlijks 36 miljoen euro in een lokaal ontwikkelingsfonds, maar dat geld gaat grotendeels naar de stam die de grond bezit, de Amungme. Die hebben geen behoefte om het geld te delen of de besteding inzichtelijk te maken. Freeport heeft voor de lokale vestiging weliswaar een commissaris uit de Papoeagemeenschap aan boord gehaald, maar de man kan geen stukken lezen omdat hij het Engels niet beheerst. De commissaris geeft ruiterlijk toe dat cijfers in de commissarissenstukken lezen niet aan hem zijn besteed.

Papoea wordt al jaren geplaagd door corruptie, stammenstrijd, ziekte en armoede. Van de ruim twee miljoen inwoners is eenderde door georganiseerde migratie uit Java afkomstig. Papoea's zelf vormen een kleine meerderheid maar zijn onderling verdeeld. Diverse niet-gouvernementele organisaties zijn er de laatste jaren tevoorschijn gekomen, maar het is niet altijd duidelijk in hoeverre zij nobele motieven met twijfelachtige deelbelangen combineren.

Bij de onafhankelijkheidsstrijd in Oost-Timor kregen rebellen steun van de internationale gemeenschap en was er sprake van een halve burgeroorlog tussen Oost-Timorezen enerzijds en Indonesische immigranten en het leger anderzijds. Net als bij Oost-Timor vormt religie een breuklijn: Papoea's zijn doorgaans christen of hebben hun eigen animistische tradities, Indonesië is goeddeels islamitisch.

Vandaar dat de Indonesische regering, gesteund door het gehele parlement, zo beledigd reageerde toen 42 gevluchte Papoea's in Australië vorige week een voorlopige status als vluchteling kregen. De Indonesische ambassadeur werd onmiddellijk teruggeroepen.De vergunning impliceert immers dat het volgens Australische autoriteiten politiek niet pluis is in Papoea. Om verdere schade te voorkomen heeft de Australische regering weliswaar opnieuw laten weten dat ze “de territoriale integriteit van Indonesië volledig erkent“ en dat “Papoea deel uitmaakt van de Indonesische republiek“. Maar had de Australische regering niet precies zo gezegd over Oost-Timor?

Deze angst ontslaat de regering niet van de plicht om beter naar de Papoea's te luisteren, aldus de socioloog Thamrin Tomagola van de Universiteit van Jakarta. Tomagola: “De wapenstilstand met de rebellen in Atjeh en de extra autonomie voor die provincie hebben Papoea's aangemoedigd om ook de straat op te gaan en iets dergelijks af te dwingen. Als onze regering niet naar die verlangens luistert gaat het daar van kwaad tot erger.“