Oorlogsrecht en militaire werkelijkheid 1

Het artikel `Nederland verantwoordelijk voor gevangenen` van dr. Liesbeth Zegveld (Opiniepagina, 22 maart) geeft duidelijk weer hoever het huidige oorlogsrecht zich heeft verwijderd van de militaire werkelijkheid. De oorspronkelijke Geneefse Conventie van 1906 regelde de behandeling van krijgsgevangen en gewonden militairen, mits zij als zodanig herkenbaar waren.

De Conventie was gebaseerd op wederkerigheid en gold slechts voor de landen die zich erbij hadden aangesloten. Deze wederkerigheid was essentieel, de regels vervielen bij overtredingen. Zo werden bij het Ardennen-offensief de als Amerikanen verklede SS`ers standrechtelijk gefusilleerd en konden troepen die eerst de witte vlag hesen en vervolgens toch het vuur openden, niet op genade rekenen.

Na WO II zijn nieuwe conventies opgesteld. Hierbij is echter het element van wederkerigheid verlaten. Zo zijn nu westerse militairen in Afghanistan gebonden aan de regels van het oorlogsrecht. Zij weten echter dat indien zij, al dan niet gewond, in handen van hun als burgers geklede tegenstanders vallen, hun kansen op overleven minimaal zijn. Hier past de beroemde uitspraak van de generaal Bosquet, ”C`est magnifique, mais ce n`est pas la guerre.”