Onvrije universiteit

Het vergt speciale kwaliteiten om topmanager te zijn en tegelijkertijd de markt, de belangen van de aandeelhouders en de organisatie van het eigen bedrijf in het oog te houden. Het is goed dat universiteiten die kwaliteiten waarderen door dergelijke hooggekwalificeerde personen bij hun bestuur te betrekken. Maar topmanagers zijn ook weer niet zulke wondermensen dat ze ten koste van andere beroepsgroepen verreweg de meeste zetels in de raden van toezicht van de universiteiten moeten bezetten.

Dat is nu wel het geval. Bijna de helft van de leden van de raden van toezicht van universiteiten is afkomstig uit het bedrijfsleven, tegen negen procent uit de wetenschap en technologie zelf, drie procent uit het onderwijs en nog niet één procent van de toezichthouders uit de wereld van kunst en cultuur. Dat is een wanverhouding. Wetenschappelijk onderzoek en onderwijs zijn de hoofdtaken van de universiteit, in de cultuur spelen universiteiten daarnaast een belangrijke rol. De raad van toezicht, die zich moet bezighouden met de lange termijn van de universiteit en haar maatschappelijke rol, is eenzijdig samengesteld. Topmanagers zijn bovendien niet in de eerste plaats bezig met de lange termijn.

Er is een belangrijk motief voor de hoge waardering van managers door universiteiten. Hun bedrijven brengen vaak onderzoeksgeld binnen door middel van opdrachten. Dat betekent een nieuw gevaar van belangenverstrengeling, waar de raad van toezicht juist voor moet waken. Zo laat de universiteit van Groningen, waarvan de raad van toezicht wordt voorgezeten door de gewezen directeur van de Gasunie, geheel of gedeeltelijk drie leerstoelen door de Gasunie financieren. Het is de vraag of de door een startsubsidie van de Gasunie ingestelde deeltijdhoogleraar energierecht met een juridische bevinding kan komen die tegen de belangen is van de Gasunie. Vooral bij opdrachtonderzoek voor bedrijven ligt dat gevoelig. De Koninklijke Academie van Wetenschappen worstelt met de bedreigde onafhankelijkheid van de wetenschapper. Het is ongewenst dat bepaalde bedrijven bij onderzoek van door de belastingbetaler gefinancierde instellingen voor een dubbeltje op de eerste rij mogen zitten. Er is een probleem als het bedrijf van de toezichthouder tevens belangrijke opdrachten van de universiteit krijgt. Dat soort belangenverstrengeling past niet.

Voor technische universiteiten zijn sterke banden met de industrie begrijpelijker dan voor theoretische onderzoeksinstellingen. Zo heeft de technische universiteit van Eindhoven een sterke band met Philips. Toch blijkt ook daar hoe moeilijk het is om bepaalde technische uitvindingen economisch te gelde te maken. De richting van onderzoek is vaak onvoorspelbaar; te concreet geformuleerde doelstellingen kunnen innovatie afremmen. Door bedrijven gefinancierd farmaceutisch onderzoek is meer gericht op concurrentie met bestaande medicijnen dan op grote doorbraken. Het Philips Natuurkundige Laboratorium heeft zijn wereldberoemde aanpak te danken aan ongebonden, hoogwaardig onderzoek aan de universiteit van Leiden rond 1900.

Raden van toezicht van universiteiten horen de voor wetenschap en onderwijs belangrijke omgeving af te spiegelen. Dat betekent dat er meer leden uit wetenschap, onderwijs, kunst en cultuur in moeten zitten. Het bedrijfsleven is nu oververtegenwoordigd, zodat belangenverstrengeling dreigt en de universiteit haar vrijheid kan verliezen.