Lekker met z'n allen op een kluitje

De mensen gingen vroeger eerst bij elkaar wonen, daarna pas ontstond landbouw.

Dit zegt de Britse archeoloog Ian Hodder die een lezing gaf in Leiden.

Nederland, Amsterdam, Ransdorp, 17-10-2005; luchtfoto (25% toeslag); de polder Bloemendalerweeren rondom de dorpskern met de stompe toren, regio Waterland; diagonaal in de voorgrond (richting Ransdorp) de Weersloot, achter het dorp mondt het water van Achter Twiske uit in het Kinselmeer, dit recreatie gebied is gescheiden van het Markermeer (onderdeel van het IJsselmeer) door de Uitdammerdijk; aan de horizon de windmolens bij Almere; historische verkaveling in typisch Hollands landschap; landbouw en veeteelt, infrastructuur, waterhuishouding, veenweidegebied, planologie, ruimtelijke ordening, landschap Foto Siebe Swart/Hollandse Hoogte Archeoloog Hodder: mensen gingen eerst “samen leven', daarna ontstond landbouw. Foto Hollandse Hoogte Hollandse Hoogte

“Waarom zijn mensen zich ergens permanent gaan vestigen?“ herhaalt de Britse archeoloog Ian Hodder de vraag uit de zaal. “Waarom..., uh... dát is de million dollar question.“ Op die vraag blijft hij dus het antwoord schuldig, bekent Hodder. Wel is hij ervan overtuigd dat permanente bewoning voorafging aan het begin van landbouw, zegt hij. Eerst gingen de nomadische jagers en verzamelaars op een kluitje wonen, en pas daarna ontstond landbouw - circa 10.000 jaar geleden.

Het is vrijdagochtend en de zaal in het Academie Gebouw van de Universiteit Leiden zit vol met archeologen die de lezing van een van de bekendste hedendaagse archeologen willen bijwonen.

Ian Hodder schildert het dagelijks leven zoals zich dat volgens hem tussen 7300 en 6000 voor Christus in Çatal Höyük afspeelde. 8.000 mensen woonden op een kunstmatige heuvel in moerassig terrein. Hun granen verbouwden ze waarschijnlijk ruim tien kilometer verderop. Voor de bewoners was belangrijker dat ze natte klei onder handbereik hadden om hun markante huizen te kunnen bouwen.

De nederzetting bestond uit aan elkaar gebouwde huizen zonder ramen en deuren. De toegangen waren gaten in de daken, die ook als straten fungeerden. Binnen waren sommige muren versierd met schilderingen. De vloer bestond uit enkele in hoogte variërende lemen platformen, die regelmatig opnieuw werden gepleisterd. Sommige huizen telden na 70 jaar bewoning 450 lagen. Ook de huismuren werden bij verval steeds opnieuw opgetrokken. Handelingen werden dus generatie na generatie op dezelfde plek uitgevoerd. Zo waren er vaste plekken in huizen om de doden te begraven, te slapen en voedsel te bereiden.

Hodder ziet hierin het bewijs van het ontstaan van langdurige wederzijdse sociale afhankelijkheid op grote schaal - socialisation noemt hij dat. Volgens anderen treden die complexe en omvangrijke sociale structuren pas op ná het begin van de landbouw.

Diezelfde opeenvolgende vondstlagen en dus aanwijzingen voor socialisatie ziet Hodder ook in nog oudere vindplaatsen elders in Anatolië en het Midden-Oosten. “Bijvoorbeeld in het tiende millennium voor Christus, in het begin van het neolithicum, in Jericho.“

Maar aanwijzingen voor het begin van een complexe sociale orde vindt Hodder ook in oudere vindplaatsen, zoals in Göbekli Tepe in Zuidoost-Anatolië, waar rond 9000 voor Christus van landbouw nauwelijks nog sprake was. Hier hebben Duitse archeologen een soort monumenten met dierenafbeeldingen en armen van mensen opgegraven. Een ceremonieel centrum, denkt Hodder, en weer een aanwijzing dat cultuur en religie de samenbindende factoren zijn geweest in het proces dat leidde tot sedentisme en later tot landbouw hebben geleid.