Het einde der tijden is niet nabij

Talloze auteurs over klimaatverandering doen apocalyptische toekomstvoorspellingen.

Hoe doen ze dat? En hebben ze wel een punt?

Er bestaat een prachtige tekening van de cartoonist Sempé, waarin een voorbijganger naar de etalage van een boekwinkel tuurt. Daar staan wel twintig kloeke boeken, met titels als: Het einde van het boek; Het laatste woord; Hebben de letteren toekomst? De ondergang van de leescultuur; De verdwenen literatuur, enzovoort, enzovoort. Kennelijk gaat het goed met het einde der boeken, net zoals het goed gaat met Francis Fukuyama's The End of History en John Horgans The End of Science.

Ik krijg hetzelfde gevoel bij de groeiende stroom apocalyptische toekomstvoorspellingen. Plan B 2.0, Rescuing a Planet under Stress and a Civilization in Trouble, heet het boek van landbouweconoom Lester Brown; Field Notes from a Catastrophe - Climate Change, Is Time Running out? van de journaliste Elizabeth Kolbert; The Weather Makers - How Man is Changing the Climate and What it Means for Life on Earth van de paleontoloog Tim Flannery.

Al deze auteurs verkondigen dat het einde der tijden door ons eigen toedoen nabij is, en elk heeft daarvoor zijn eigen methode. Lester Brown doet het met een donderpreek. Plan A is voor hem business as usual: de wereld gaat door zijn bestaansbronnen te vernietigen, wat leidt tot economische neergang en uiteindelijke ineenstorting. Hoe inktzwart de toekomst er dan uitziet staat in het eerste deel van het boek. Geen olie meer, watertekorten, ontbossing, bodemerosie, oprukkende woestijnen, klimaatverandering, zeespiegelrijzing, meer stormen.

Hij schildert de rampen in schrille kleuren, waarbij elke nuance ontbreekt. Niemand heeft tot nu toe kunnen aantonen dat een warmer klimaat leidt tot meer stormen, toch is dat voor Brown vanzelfsprekend. Smeltende gletsjers worden gekoppeld aan een stijgende zeespiegel, terwijl dat laatste toch vooral veroorzaakt wordt door de uitzetting van het zeewater. Bovendien is het niet zeker of de ijskappen van Groenland en Antarctica nu aftakelen of juist groeien door de hogere sneeuwval. Maar dit soort nuances is aan Brown niet besteed.

Dan volgt de oplossing van het probleem, namelijk Plan B: bestrijding van armoede en mislukte staten door meer onderwijs, betere gezondheidszorg, herbebossing, bodembescherming, stabilisering van de grondwaterspiegel en bescherming van de biodiversiteit. In Browns eendimensionale economenwereld is daar één ding voor nodig: geld. Die oplossing kost 161 miljard dollar per jaar. Als je het boek uit hebt denk je: dat heb ik allemaal al eens gelezen. Brown heeft dat zelf ook in de gaten, want na 259 pagina's verzucht hij dat hij nog steeds moeite heeft om de woorden te vinden die de ernst van de situatie weergeven. De woorden die hij wel vindt, hebben een averechts effect. Met donderpreken krijg je de kerk niet vol. Op naar Flannery.

The Weather Makers (vertaald als De weermakers) slaat een andere toon aan. De toon van de man die het allemaal heeft meegemaakt. Als student zag Flannery in Nieuw-Guinea hoe het regenwoud de boomvarens van het hooggebergtegrasland overwoekerde: zijn eerste ervaring met global warming, al begreep hij de draagwijdte daarvan pas twintig jaar later. Hij is verontwaardigd, schrijft vanuit een persoonlijke woede. Woede over het teloorgaan van de natuur. Woede over mensen die energie verspillen. Woede op zijn eigen Australische regering die het Kyoto-protocol maar niet wil ondertekenen. Flannery's woede is virtuoos, goed onderbouwd en vol zwartgallige humor, en daardoor heerlijk om te lezen.

Maar zijn visie wordt gekleurd door James Lovelocks “Gaia-theorie', een bedrieglijke voorstelling van de aarde als een ecosysteem dat zichzelf in evenwicht houdt. “De laatste 10.000 jaar heeft de thermostaat van de aarde op een gemiddelde oppervlaktetemperatuur van zo'n 14 °C gestaan“, zegt Flannery. Dat is wel heel kort door de bocht, als je bedenkt dat 10.000 jaar geleden Scandinavië nog onder het ijs lag en de Noordzee nog droog was. Evenzeer meent hij dat de zeespiegel de laatste 8.000 jaar constant is geweest, terwijl er geen twijfel bestaat dat die 8.000 jaar geleden twintig meter lager was dan nu. Van de Kleine IJstijd, de goed gedocumenteerde koude periode tussen 1500 en 1850 heeft hij kennelijk nog nooit gehoord. En hij bagatelliseert de daaraan voorafgaande Warme Middeleeuwse Periode. Ook negeert Flannery totaal de discussie over de “hockeystickcurve' van onder anderen Michael Mann, die met statistisch dubieuze methoden alle klimaatvariatie van vóór 1850 wegmoffelen. De enige piek die dan nog overeind blijft is de huidige klimaatopwarming en Flannery neemt die kritiekloos over. Uiteindelijk is zijn boek net zo eendimensionaal als dat van Brown. Ook Flannery laat geen ruimte voor andere conclusies dan dat wij ons eigen graf delven.

Hij creëert het klassieke vijandbeeld dat iedereen die tegen het Kyoto-protocol is, belangen heeft in de olie-industrie, en spreidt daarbij een zendingsdrift ten toon een wetenschapper onwaardig. Zijn woede overtuigt net zo min als Browns donderpreek. Maar hij trekt tenminste zijn persoonlijke conclusies. Hij heeft zijn eigen museum (het South Australian Museum in Adelaide) zo ingericht dat hij 70 procent bespaart op zijn energierekening.

Elizabeth Kolberts boek is het kortste, het aardigste en ook het indringendste. Het is gegroeid uit stukjes in The New York Times, waarin zij vertelt van haar reizen naar Groenland, Alaska, Wales, Costa Rica. In Nederland ziet zij op de televisie Peter Timofeeff op het strand verdrinken in de zeespiegelstijging, en in de Biesbosch constateert zij dat Nederland niet meer inpoldert maar juist land prijsgeeft aan het water. Ondanks haar journalistieke kortademigheid weet Kolberts de essentie beter te raken dan Brown en Flannery. Ze laat de mensen zien in hun werkomgeving, en laat ze vertellen over hun ervaringen, zoals het roerende echtpaar William Bradshaw en Christina Holzapfel op de Universiteit van Oregon. Samen vertellen ze Kolbert hoe zij gedurende hun 35 jaar onderzoek de leefomstandigheden van één muskietensoort zien veranderen door het opwarmende klimaat.

Op de dag dat het Kyoto-protocol wordt ondertekend, 16 februari 2005, is Kolbert in Washington op bezoek bij de onder-staatssecretaris voor Democratie en Mondiale Zaken Paula Dobrianski. Zij moet het standpunt van Bush over het protocol uitdragen. “Wij nemen het protocol heel serieus“, zegt Dobrianski. “Waarom stellen jullie dan geen maximum aan jullie emissies?“ vraagt Kolbert. “Wij handelen, wij leren, wij handelen. Wij hebben een gemeenschappelijk doel, alleen een andere aanpak“, zegt Dobrianski. Kolbert weer: “Wat is dan volgens u een gevaarlijk gehalte van CO2 in de atmosfeer?“ Dobrianski: “Wij handelen, wij leren, wij handelen.“ Twee keer zegt zij “Wij hebben kortetermijn- en langetermijnacties.“ Drie keer zegt zij: “Economische groei is de oplossing, niet het probleem.“ Zo pingpongt het gesprek heen en weer. Aan het eind vraagt Kolbert of ze nog een laatste woord wil zeggen. Dan zegt Dobrianski: “Wij nemen het probleem heel serieus. Wij hebben een gemeenschappelijk doel, alleen een andere aanpak“.“ Einde gesprek. Daar leer je meer van dan Browns grote woorden of Flannery's vlijtig pleiten. Maar ook Kolbert lijdt aan een eenzijdige blik. Dat de IJslandse gletsjers groeiden in de jaren zeventig en tachtig neemt zij voor kennisgeving aan, maar dat ze daarna smolten is reden tot alarm.

Wat moeten we hier nu mee, met al deze rampscenario's? Allemaal verbazen de auteurs zich over het broeikaseffect, als een kind dat voor het eerst sneeuwklokjes uit de grond ziet komen en niet weet dat dat elk jaar zo gaat. Het einde van de wereld als straf voor eigen zonden lijkt wel bijna een geloof geworden.

Is er dan niemand die op de gedachte komt dat al die zogenaamde rampen, zoals opwarming van het klimaat, zeespiegelschommelingen, veranderende ecosystemen, smeltende gletsjers, normale natuurverschijnselen zijn, die ook optreden als de mens niets doet, die in het verleden ook zijn opgetreden voordat de mens er was? De aarde verandert altijd: dag en nacht, seizoenen, ijstijden, variaties in zonneactiviteit, allemaal processen waar de mens geen invloed op heeft. Het leven reageert door zich aan te passen, door evolutie, door natuurlijke selectie van levensvormen die beter aangepast zijn aan de veranderde condities. Dát is de drijvende kracht achter de schijnbare harmonie tussen organismen en hun milieu. Voor mensen betekent dat: aanpassen aan de veranderende natuur, ongeacht de oorzaak van de veranderingen: vulkanen, ontgassende zeebodems, bosbranden of wijzelf.

Elizabeth Kolbert: Field Notes from a Catastrophe - Climate Change, Is Time Running out?

Bloomsbury, 210 blz. euro 24,-

Salomon Kroonenberg, hoogleraar geologie aan de TU Delft, publiceerde onlangs De menselijke maat. De aarde over tienduizend jaar ( Atlas, 256 blz. 19,90).

Bloomsbury, 210 blz. € 24,-

Salomon Kroonenberg, hoogleraar geologie aan de TU Delft, publiceerde onlangs De menselijke maat. De aarde over tienduizend jaar ( Atlas, 256 blz. € 19,90).