Duitse vreugde

Regionale kiezers in drie Duitse deelstaten (Länder) hebben kanselier Angela Merkels prille grote coalitie van CDU/CSU en SPD eergisteren een prettig gevoel bezorgd. In Rijnland-Palts, Baden-Württemberg en Saksen-Anhalt, deelstaten die goed zijn voor omstreeks een vijfde deel van de Duitse bevolking, werden de regionale ministers-presidenten van SPD (Rijnland-Palts) en CDU in hun regeringsmacht bevestigd. De grote Duitse volkspartijen, die elkaar tot voor kort nog bitter bestreden maar die na de Bondsdagverkiezingen vorig najaar min of meer tot elkaar veroordeeld werden, waren zondag zeer tevreden en bedankten hun regionale kiezers hartelijk. Naar goed gebruik was trouwens iedereen tevreden, ook vertegenwoordigers van de Groenen, de liberale FDP en de linkse combinatie van afgescheiden SPD'ers en de Oostduitse PDS. Op de beide grote Duitse tv-netten trokken zondagavond veelkleurige polonaises van blije politici voorbij, want welbeschouwd had iedereen wel ergens een beetje gewonnen, of ten minste mooi met lelijke handicaps afgerekend dan wel bruikbare signalen gehoord voor een toch nog goede toekomst.

Zoals correspondent Michel Kerres gisteren in deze krant schreef, hebben de partijen van de grote coalitie in Berlijn er zondag in de deelstaten volgens vele politieke commentatoren van geprofiteerd dat mevrouw Merkel en haar kabinet bewust een aantal zware en voor kiezers gevoelige kwesties nog eventjes in de ijskast hebben laten liggen. Er is zodoende dus nog weinig geprofileerd en gepolariseerd door en tussen de nationale regeringspartijen. Daaraan, en aan het goede buitenlandse optreden van Angela Merkel in haar eerste maanden als kanselier, is de ogenschijnlijk prettige stemming in de grote coalitie te danken.

De zeer matige opkomst van afgelopen zondag wordt uiteraard ook in verband gebracht met het ontbreken van zichtbare of hoorbare politieke strijd in Berlijn. Maar dat kan dadelijk, als die gevoelige kwesties (zorg, arbeidsmarkt, sociale zekerheid), aan de orde komen, dus flink gaan veranderen. En er is alle kans dat regionale verkiezingen dan ook weer spannender worden. Want zoals het deze keer was, namelijk dat de kiezers uit de nationale politiek - wegens de nog heersende vrede in de grote Berlijnse coalitie - weinig kritische prikkels voor hun regionale stemgedrag krijgen, gaat dan ook veranderen. En dat, zoals afgelopen zondag, de zittende regionale machthebbers wel heel makkelijk hun premierbonus ontvangen, is dan ook voorbij.

Het wordt straks interessant te zien wat de regionale kiezer elders in Duitsland met zijn stem gaat doen. Want zo'n grote coalitie in Berlijn, daargelaten dat zij door de kiezers is ,,veroorzaakt“, lijkt diezelfde kiezers op regionaal niveau te beroven van correctiemogelijkheden waarvan zij de afgelopen halve eeuw vaak gebruik hebben gemaakt. Namelijk door op regionaal niveau anders te stemmen dan bij landelijke verkiezingen. Zodat er op regionaal niveau een soort correctie op nationale machtsverhoudingen wordt gegeven. In de Bondsraad, die volgens de politieke krachtsverhoudingen in de deelstaten wordt samengesteld en die voor tweederden van de nationale wetgeving onmisbaar is, kan daardoor gaandeweg een andere politieke meerderheid ontstaan dan in de Bondsdag, waar de regering normaal gesproken haar machtsbasis heeft. De bijna zestig jaar geleden in het kiesstelsel opgenomen mogelijkheid om een regionale politieke check op de nationale macht aan te brengen, wordt door de (West-)Duitse kiezers vaak knap gebruikt. In de geschiedenis van de Bondsrepubliek betekende dat in de praktijk dat een regeringscoalitie in Bonn, ongeacht haar kleur, na verloop van tijd, en na de nodige regionale verkiezingen, feitelijk te maken kreeg met een politiek steeds “vijandigere' Bondsraad. Met als uiteindelijk gevolg dat de regeringsmachine steeds stroever ging draaien, allerlei wetsvoorstellen niet meer werden ingediend of zwaar gewijzigd raakten in de zeer besloten kamer van een zogeheten “bemiddelingscommissie' uit Bondsdag en Bondsraad. Want zoiets, een regionale knip op de nationale deur, geeft degelijkheid en zekerheid tegen de waan van de dag, maar dient de snelheid en beweeglijkheid van het bestuur niet zo erg. Ongetwijfeld heeft de Duitse bestuurlijke onbeweeglijkheid van de afgelopen vijftien jaar daarmee ook wat te maken gehad.

Dit systeem van checks and balances in een volgens oude tradities opgezette federale republiek, met sterke deelstaten met grote eigen bevoegdheden, is natuurlijk mede een reactie op het jongste Duitse verleden. De westelijke geallieerden in de naoorlogse Duitse bezettingszones noch de grondwettelijke founding fathers van de Parlementarische Rat (1948-1949) wilden ooit nog een eenheidsstaat als de ongelukkige Republiek van Weimar. De centralistische, in feite onhistorische, structuur van die republiek had Hitlers machtsgreep in 1933 immers als het ware extra vergemakkelijkt. Met haar federale structuur was de naoorlogse Bondsrepubliek goed af,zeker in haar West-Duitse gedaante (tot 1990) met elf deelstaten. Maar sinds de Duitse eenwording is het aantal Länder nu zestien en komen er altijd wel ergens verkiezingen aan of ze zijn net geweest. Dat leidt tot frequente politieke nervositeit in een stelsel dat juist op vergroting van stabiliteit gericht is. Wat dat betreft zou het mooi zijn als Merkels grote coalitie wat zou maken van de voorgenomen stroomlijning van defederale structuur (aantal deelstaten, financiële verhoudingen). Maar het schijnt al vast te staan dat van die stroomlijning weinig zal terechtkomen.