Belang brochure over terreur twijfelachtig

Elk huishouden in Nederland ontvangt een brochure over terrorisme van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding - een forse actie van de kant van de overheid. Twee studies onder de bevolking zouden het belang van deze actie onderstrepen. Vraag is of ze dat werkelijk doen.

Uit deze onderzoeken zou blijken dat in 2005 ongeveer de helft van de Nederlanders bang is voor een aanslag: een toename van 14 procent ten opzichte van 2004. Een brochure over terrorisme zou volgens het onderzoek dan ook gewenst zijn. Maar liefst 70 procent v zou een huis-aan-huis verspreide brochure gaan lezen. De uitkomsten van een Brits onderzoek circa twee weken na de bomaanslagen in Londen leren helaas iets anders. Daaruit bleek dat slechts 37 procent de informatiebrochure over terrorisme van de Britse overheid had gelezen. En dan te bedenken dat Groot-Brittannië veel vaker geconfronteerd werd met aanslagen.

Het belang van de brochure mag dan blijken uit de toegenomen angst, de vraag is of de angst daadwerkelijk is toegenomen. Het onderzoek is vlak na de bomaanslagen in Londen uitgevoerd. Dit heeft mogelijk de onderzoeksresultaten beïnvloed, zoals de onderzoekers ook zelf opmerken. Het zou zelfs vreemd zijn als deze aanslagen helemaal geen invloed zou hebben op de gedachten van mensen over terrorisme op zo'n korte termijn. Maar wat nu als het onderzoek in januari 2006 was uitgevoerd en er geen toename in angst voor terrorisme was geconstateerd? Was de noodzaak van een brochure dan kleiner? Toch blijkt de toegenomen angst minder ingrijpend dan de cijfers suggereren. Men voelt zich op allerlei plaatsen nog even veilig als het jaar ervoor, zoals thuis, in openbare gebouwen, in tunnels en vliegtuigen. Blijkbaar is de angst zélf getroffen te worden niet zo heel groot en zeker niet groter geworden.

Circa 70 procent van de Nederlanders zou alerter zijn voor aanslagen. De brochure zou daarin kunnen helpen. Vraag is echter of alerter gedrag meteen als een groot alarmsignaal moet worden beschouwd. Stel dat 70 procent na herhaalde ingrijpende reportages over verkeersongevallen beter gaat opletten in het verkeer. Ieder jaar komen circa 1000 mensen om door het verkeer en loopt een veelvoud letsel op. Meer waakzaamheid in het verkeer zouden we ongetwijfeld verwelkomen. Maar als het om terrorisme gaat heeft het alerte gedrag opeens een andere betekenis. Het zou een bewijs zijn dat de overheid iets extra moet doen. Natuurlijk kan niemand bezwaar hebben tegen het lijstje met tips wat te doen tijdens een aanslag. Ze zijn altijd handig, maar zijn nauwelijks specifiek voor een terroristische aanslag.

De brochure zou ook geruststellend voor burgers moeten zijn. Het Britse onderzoek laat echter wederom wat anders zien. Degenen die de Britse brochure hadden gelezen, ondervonden even vaak stress door de aanslagen dan degenen die de brochures niet gelezen hadden. Misschien dat de brochure burgers geruststelt door de boodschap dat ruim 200.000 professionals hun krachten hebben gebundeld in de bestrijding van het terrorisme. Maar kunnen we met de brochure in de hand aanslagen zoals in New York en Madrid voorkomen? Het is niet verwonderlijk dat de brochure als een nachtkaars uit gaat. Na een opsomming van alle acties van de overheid en wat u ook nog zelf allemaal kunt doen, eindigt zij met de slotzin: “Het is belangrijk dat ons leven niet overheerst wordt door angst. Er is geen reden voor paniek. Natuurlijk is het belangrijk dat we opletten. Maar laten we vooral blijven doen wat we al deden en gewoon doorgaan met leven“. Het lijkt er op dat bij terrorisme, de risico's, het belang van voorlichting en het gedrag van burgers langs een andere meetlat worden gelegd dan bij verkeersongevallen en (huiselijk) geweld. Dat is opvallend, omdat de kans getroffen te worden door een verkeersongeval of door (huiselijk) geweld veel groter is. Wij kunnen ons niet herinneren dat de overheid ooit een huis-aan-huis-brochure over deze concrete risico's heeft verspreid.

Dr. P.G. van der Velden is verbonden aan het Instituut voor Psychotrauma. (Met dank aan Prof. dr. R.J. Kleber.)