Baby leert al snel foute woordjes

Baby's van tien maanden leren snel nieuwe woordjes, maar kleunen er soms ook flink naast. Dat komt doordat ze niet opletten waarnaar mensen kijken als ze iets zeggen. Dat sociale instinct komt pas later.

Kinderen van tien maanden oud zijn al in staat om een nieuw woord voor een interessant object te leren, zelfs wanneer ze dat woord maar een paar keer horen. Het gaat hierbij niet om het uitspreken, maar om het begrijpen van het woord als iemand anders het zegt.

Dit is een belangrijke conclusie uit een ingenieus fantasiewoordenexperiment met 44 baby's van tien maanden. Het onderzoek is verschenen in het jongste nummer van het wetenschappelijke tijdschrift Child Development (maart/april). Tot nu toe was dit razendsnelle woordleren alleen bewezen voor kinderen van 12 maanden oud. Of de baby's het nieuw geleerde woord langer dan een uur of wat onthouden, is niet bekend.

Maar het belang van het experiment gaat veel verder. Want opvallend genoeg negeren de kinderen van tien maanden bij dat leren van een nieuw woord volkomen de sociale signalen die hen zouden kunnen helpen bij het leren. Ze letten gewoon op het interessantste voorwerp in hun buurt. Als ze dat voorwerp nog niet kenden, plakken ze er onbekommerd de naam op die gelijktijdig nadrukkelijk wordt uitgesproken, óók als dat gebeurt door iemand die naar een heel ander voorwerp kijkt. In feite plakken ze dan het woord op het verkeerde voorwerp. Kinderen van twaalf maanden worden in hun woordleren al wèl enigszins beïnvloed door sociale signalen, bleek uit eerder onderzoek: zij leren ook alleen maar woorden voor interessante voorwerpen, maar negeren het nieuwe woord als de spreker kijkt naar het saaie voorwerp. Twaalfmaandskinderen maken daardoor dus al veel minder fouten.

En daarmee hakt dit onderzoek een belangrijke knoop door in de theorievorming over woordjes leren. De belangrijkste ontdekking van de afgelopen tien jaar is namelijk dat kinderen bij het leren van taal juist heel sterk letten op de sociale context. Zo dominant is nu dat sociaalleren-idee dat het oude idee (van Noam Chomsky) dat kinderen alleen maar taal kunnen leren dankzij een aangeboren taalinstinct, steeds meer verlaten wordt. Kinderen hebben een sociaal instinct en dat levert hen de extra informatie op om de taal van hun ouders en anderen te decoderen, zo is nu de overtuiging van veel taalkundigen en psychologen.

Maar met dat sociale instinct als basis voor taal leren is er wel een probleem: het ontstaat pas vanaf het laatste kwart van het eerste levensjaar, dan krijgt een baby een beetje besef van de anderen in zijn leven. Tot bloei komt het pas in het tweede levensjaar. Hoe kunnen baby's jonger dan een jaar dan toch al een duidelijke woordkennis hebben, zoals iedere ouder weet? “Pak de bal!' De kinderen in dit onderzoek konden - naar opgave van de ouders - al gemiddeld anderhalf woordje zelf zeggen (ongetwijfeld woorden als papa of die!) en ze konden al 13 à 14 woorden begrijpen.

Dit experiment bewijst voor het eerst dat heel jonge kinderen leren zonder sociale aanwijzingen. Dat betekent wel dat ze nog heel veel fouten maken, hetgeen gelijk de trage start van het woordleren verklaart. De grote versnelling in het woordleren komt meestal pas tegen de tweede verjaardag.

Het experiment past in een lange reeks vergelijkbare experimenten met oudere kinderen en de resultaten zijn dus goed in te passen in de bestaande kennis van de taalevolutie van kinderen. Uit de reactie van de baby's kan worden afgeleid of ze een nieuw woord geleerd hebben of niet.

In dit geval zitten de baby's op schoot bij hun (om beïnvloeding te voorkomen) geblinddoekte moeder en mogen eerst twee voorwerpen aanraken die ze nooit eerder hadden gezien. In dit experiment waren dat een saai voorwerp (een beige flesopener of een witte deurklink) en een interessant voorwerp (een kleurige rammelaar of een blauwe fonkelende toverstaf). De experimentator vangt vervolgens de blik van de baby, kijkt naar een voorwerp en riep: “Oh Jordan[of een andere naam], kijk! Een modi! Wouw, een modi! Een modi! Kijk Jordan, een modi!“ (Andere fantasiewoorden zijn hier glorp, dawnee en blicket). Een van de manieren om te zien of de baby het woord heeft opgepikt is dat het kind wordt gevraagd: “zie je de modi? Waar is de modi?' Als het kind daarop relatief vaker naar de “modi' kijkt dan naar het andere voorwerp geldt dat als kennis van het woord.

De baby's van tien maanden plakten het fantasiewoord altijd op het interessante voorwerp.