Oud en jong op Nacht van de Poëzie

De echt grote namen ontbraken dit keer op de Utrechtse Nacht van de Poëzie. Tenminste voor de jeugdiger bezoekers, want Kouwenaar en Eijkelboom waren er wel degelijk.

Joost Zwagerman nadat hij boos het 'publiek urinoir' heeft verruild voor een andere microfoon op het podium om zijn gedichten voor te dragen. Foto Bram Budel 26 ste nacht van de Po‘zie in vredenburg. Joost Zwagerman draagt voor uit eigen werk. Helaas geen beeld van het publiek die zaten in pikdonkere zaal. Niet aansnijden ajb! FOTO: BRAM BUDEL Budel, Bram

De dichter Pieter Boskma begon niet meteen aan zijn voordracht. Toen hij iets na negenen plaatsnam achter het katheder, strengelde hij zijn vingers in elkaar en liet ze, vlak voor de microfoon, even knakken. 'Het was een onbewuste handeling', vertelt de dichter achteraf in de artiestenfoyer. 'Het effect verbaasde me. De zaal grinnikte en ontspande. Mijn optreden erna won daardoor aan intensiteit.'

Boskma was de vierde van 22 dichters die zaterdag op de Nacht van de Poëzie in Utrecht voordroegen, en zijn optreden was inderdaad intens. Maar dat kwam niet alleen door het knakken van zijn vingers. De 'grootste zangvogel van Nederland', zoals Boskma door presentator Menno Wigman werd genoemd, combineert twee eigenschappen die een voordracht - zeker in een met ruim tweeduizend mensen gevuld Vredenburg - tot een succes kunnen maken.

Allereerst is er zijn retorische talent. Daarover zegt hij, gezeten achter een bordje met hapjes van het artiestenbuffet: 'Ik moet in mijn gedicht geloven, dan pas kan ik het publiek overtuigen.' Verder draagt het karakter van Boskma's poëzie bij aan het succes: zijn gedichten roepen sterke beelden op, maar zijn niet zo complex dat de luisteraar tijdens de voordracht het spoor bijster raakt.

Micha Hamel, als dertiende aan de beurt, was zich bewust van het gevaar om zijn toehoorders te verliezen. 'Daarom heb ik wat lichtere gedichten gekozen.' Zijn gedicht Resultaten - 'Ik twijfel nog, misschien gaat het ook wel Resultaat heten' - is een opsomming van een enkele korte woorden, die steeds andere relaties met elkaar aangaan. 'Lul lul niet/ Boor niet neus/ Niet oor oog/ Aap niet na', luidt een strofe. 'Een gedicht als een discobol met allemaal spiegeltjes', aldus Hamel zelf.

Toch is het publiek, ondanks Boskma en Hamel, om half één 's nachts nog niet onder de indruk van de Nacht. Karin (25) en Macha (20), beiden student geschiedenis in Utrecht, vinden dat er te weinig 'grote namen' zijn. 'Ik vond die ene dichter wel leuk, niet die hele oude, maar die iets minder oude', zegt Macha. 'Je bedoelt die man die naar de verkeerde microfoon toeliep?', vraagt Karin. 'Ja, hij had wel iets mooi ongeknutselds. O, is dat een neologisme?'

De 'iets minder oude' was Jan Eijkelboom, die op 1 maart tachtig werd. De 'hele oude', was Gerrit Kouwenaar (1923). Aan grote namen dus geen gebrek, hoewel die kwalificatie tegenwoordig wellicht meer opgaat voor afwezige dichters als Tjitske Jansen, Ramsey Nasr en Hagar Peeters.

Waar Kouwenaar en de iets minder oude dichters opvallend veel gedichten over de dood voordroegen, koos de jongste deelnemer, Thomas Möhlmann (1975), een gedicht 'voor een moeder': 'Moeder kom uit de boom/ met je draadje en de hele dag/ geen mens gesproken geen vogel/ gestrikt (...)'. Möhlmann was om kwart over drie (zomertijd) en toen was duidelijk dat het programma over de hele nacht gezien een goed evenwicht tussen oud en jong bood.

Even daarvoor was de enige grote naam (volgens de definitie van Karin en Macha) weggestapt bij het uit grote houten letters opgebouwde katheder met de mededeling dat hij niet langer vanuit een 'publiek urinoir' wilde voordragen. De gedichten die Joost Zwagerman uit zijn bundel Roeshoofd hemelt voordroeg zijn scabreus, spannend en schaamteloos, maar de manier waarop hij het deed, doet ze geen recht. Als een gymnasiast die Homerus voordraagt en zo blij is met de cadans van de dactylische hexameters dat hij de betekenis van de tekst vergeet. Wat overigens niet wegnam dat de zaal van Zwagerman genoot.

Om half vijf was debutant Kees van Domselaar de laatste (en zoals de traditie voorschrijft volgend jaar de eerste) dichter van de Nacht van de Poëzie. 'Je begroet de donkere broeder van de slaap', sprak hij het overgebleven publiek toe. Een publiek met wie Ed Leeflang vier uur eerder naar eigen zeggen 'schaamteloos' had geflirt in zijn gedicht De zaal, waarvan de slotwoorden luiden: 'zij die hier waakzaam zaten,/ ontvlamden, onthielden, vergaten,/ ontsteld door deze, smeltend voor die,/ zij schiepen de nacht van de poëzie.'