Negerpopjes

Leest een Boekenweekgeschenk van een halve eeuw geleden voor ons nog net zo vlot weg als De grote wereld van Arthur Japin? En zo nee, heeft dat dan voornamelijk met de woordkeus en/of de stijl te maken?

Als proef op de som las ik Twee negerpopjes van Clare Lennart, dat in 1949 verscheen in een oplage van 154.000 exemplaren. Dit boekje (de titel zou nu niet meer kunnen) gaat over een jonge vrouw, Terzia, die herinneringen ophaalt aan haar onschuldige jeugd in een Gelders dorpje. Zij doet dit nadat zij in een koffer de twee negerpoppen heeft teruggevonden waar zij en haar zusje op hun twaalfde en dertiende zo graag mee speelden.

Indertijd vond men het een mooi boekje - het is vaak herdrukt - maar veel hedendaagse lezers zullen het een draak vinden. Het is zoet, weinigzeggend en wijdlopig. Er zit een aardige beschrijving in van een dorpsfeest in een tijd dat Nederland nog echt een klassenmaatschappij was en het toont ons iets van de belevingswereld van een bakvis die verliefd is op haar onderwijzer, maar wat de literaire waarde betreft is daar alles mee gezegd.

Interessanter is dit boekje als taalmuseum. Al op de eerste bladzijde mijmert Terzia dat die twee popjes haar 'een zo intense verrukking, een zo hemelse blijheid' hadden gegeven. En daar stond ze dan met haar zus bij die koffer, 'beiden worstelend door het struikgewas van hun eigen leven'.

Wie nu zo schrijft zal zeker nooit een Boekenweekgeschenk maken.

Natuurlijk kom je in dit boekje ook woorden tegen die de huidige jeugd waarschijnlijk niet meer kent. Mag ik u in herinnering brengen dat veel havo-leerlingen vorig jaar bij het eindexamen geschiedenis niet begrepen wat er werd bedoeld met 'Sedert de Tweede Wereldoorlog'?

Ik ben benieuwd hoe zij deze zin zouden begrijpen, waarin Lennart het uiterlijk van de twee popjes (Andy en Harry genaamd) beschrijft: 'Zij waren in nachttoilet. Andy in een lange, witte pon met kantjes, Harry in een hanssop van streepjesgoed.' En wat te denken van 'de wassen leden van hun poppenogen'?

Overigens gebruikt Lennart relatief veel textieltermen die nu niet meer algemeen bekend zijn. We lezen over het belegstuk van een nachtpon, over baadjes, over tarlatan, over mousseline, over kraplappen en over een blauwe plooirok van eerste klas cheviot. 'Is dat een nieuwe jurk?', vraagt een klasgenootje op een gegeven moment aan Terzia. Lennart vervolgt: 'Haar satellieten staan om haar heen en Terzia aarzelt, te lang.'

Mocht Twee negerpopjes ooit nog opnieuw worden uitgebracht, dan denk ik dat bij satelliet een voetnoot moet komen om uit te leggen hoe dit woord werd gebruikt voordat in 1957 de eerste kunstmaan de ruimte in ging. Er zullen, voor de lezers van de next-generatie, meer verklarende noten moeten komen. Bijvoorbeeld bij: 'zij zijn gelogeerd', bij 'ergens argeloos heentijgen', bij schalksheid, tersluiks, papillotten, bij stijve boorden, bij galop als naam van een dans, bij het tip-topalbum met de tip-topfoto's, bij postwissel, priktollen, bascule, bij oudergewoonte voor 'van oudsher' en wellicht bij moes voor 'moeder', bij volijverig, einder, een lustig leven leiden en een ver verschiet.

Ruim vijftig jaar na dato zijn dit allemaal woorden uit de nevelen van het voorbije. Die formulering is niet van mij, maar van Lennart en kennelijk vond zij het een prachtvondst, want zij gebruikt haar in 78 bladzijden maar liefst drie keer. We lezen over gebeurtenissen, melodieën en figuren die opstijgen uit de (blauwe) nevelen van de voorbije tijd of uit het voorbije. Daar kunnen we nu dus negerpopjes plus een stapeltje woorden aan toevoegen.