Krijgsmacht gebaat bij onafhankelijke ombudsman

Om misstanden binnen de krijgsmacht een halt toe te roepen is een speciale ombudsman nodig die onafhankelijk moet kunnen opereren, meent Theo van den Doel.

De leden van de Tweede Kamer reageerden afgelopen week geschokt op de verhalen over de seksuele intimidatiepraktijken op het fregat Tjerk Hiddes van de Koninklijke Marine. De 'geschrokken' staatssecretaris, die zei van niets te weten, stelde snel een onderzoekscommissie in - zoals gebruikelijk om de politieke schade te beperken. Daarna deed de minister van Defensie een mislukte poging om de scherpe kantjes er af te halen. Door te zeggen dat dit soort verwerpelijke praktijken in elke grote organisatie nu eenmaal voorkomen, probeerde hij wat krom is recht te praten en ging hij voorbij aan de unieke positie, de bijzondere taken en de voorbeeldfunctie die de krijgsmacht als 'zwaardmacht' heeft.

Over enkele maanden zal het rapport, met de nodige aanbevelingen, wel verschijnen - net als het zomerreces van de Tweede Kamer is begonnen en iedereen in de ban is van het WK voetbal. De staatssecretaris zal dan plechtig beloven de aanbevelingen allemaal uit te zullen voeren; de Tweede Kamer zal er in het najaar bij de begrotingsbehandeling van Defensie nog even aandacht aan besteden en dan wordt het boek snel gesloten. De vraag die echter aan de orde zou moeten komen luidt of defensie op dit punt haar krediet zo langzamerhand niet heeft verspeeld.

Toen in 1996 een einde kwam aan de dienstplicht werd al snel duidelijk dat de jonge beroepsmilitairen behoefte hadden aan helderheid over wat 'wel en niet kan' in een krijgsmacht. Er bestond zowel binnen de krijgsmachtdelen, maar ook tussen de krijgsmachtdelen zelf verschil van inzicht over de waarden en normen die men binnen een militaire eenheid moest hanteren. Oorbellen, piercings, haardracht, gebruik van softdrugs, alcoholgebruik tijdens vredesoperaties vormden onderwerp van discussie. Door de grote personeelstekorten was men, als dat van pas kwam, ook wel bereid wat water in de wijn te doen en de acceptatiegrens te verleggen.

Om een einde te maken aan alle verschillende maatstaven die door commandanten werden gehanteerd, werd in 1997 een gedragscode voor de gehele defensieorganisatie ingevoerd. Deze code moest duidelijk maken wat van een beroepsmilitair, jong en oud, werd verwacht. Ofschoon de gedragscode door sommigen badinerend als tegeltjeswijsheid werd afgedaan bleek zij in de praktijk wel degelijk van nut te zijn. Maar voor alles geldt dat leidinggevenden hierin een voorbeeldfunctie moeten vervullen. Dat hebben sommigen regelmatig verzaakt. Vooral binnen de landmacht en de marine hebben zich in de afgelopen jaren enkele misstanden voorgedaan die alleen mogelijk waren doordát leidinggevenden hun verantwoordelijkheid ontliepen en verwerpelijke toestanden binnen hun eenheid gedoogden. Dat hier nauwelijks tegen werd opgetreden, heeft vooral te maken met de cultuur binnen de krijgsmachtdelen om de vuile was binnen boord te houden. Aldus ontspringen leidinggevenden en het bij de misstanden betrokken personeel de dans. Dat is niet acceptabel. Nog erger is het dat slachtoffers om die reden geen gehoor vinden.

Binnen de defensieorganisatie kent men de Inspecteur Generaal van de Krijgsmacht (IGK). De functie van deze Inspecteur heeft zich in de afgelopen decennia ontwikkeld als een ombudsman voor het defensiepersoneel. Ofschoon op het instituut van de IGK niets valt aan te merken, is de taak van ombudsman achterhaald. De IGK is ondergeschikt aan de minister van Defensie en daarmee niet onafhankelijk. Hij kan zijn taken alleen maar uitvoeren met gezag, enig druk- of sanctiemiddel ontbreekt. Wie zich verdiept in de jaarverslagen van het afgelopen decennium kan constateren dat veel gesignaleerde knelpunten vaak door de defensieorganisatie niet voortvarend worden aangepakt.

De conclusie van afgelopen week moet dus niet zijn dat het slechts een incident was, maar wie terugkijkt, komt tot de slotsom dat een structurele oplossing nodig is. Deze moet niet alleen recht doen aan de positie van de slachtoffers, maar ook moet worden voorkomen dat dergelijke zaken binnen een eenheid of krijgsmachtdeel of zelfs binnen het ministerie onder het tapijt worden geveegd.

In een aantal landen, waaronder Duitsland, kent men een 'speciale ombudsman voor de krijgsmacht' die rechtstreeks verantwoording aflegt aan het parlement. Hij heeft net zoals de Nationale Ombudsman een onafhankelijke positie en zijn taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden zijn wettelijk vastgelegd.

Het zou kabinet en parlement sieren om nu, los van partijpolitieke stellingnames over de wantoestanden op de Tjerk Hiddes, de handen ineen te slaan en te kiezen voor onafhankelijkheid en controle door een speciale ombudsman voor de krijgmacht die klachten van het defensiepersoneel dat geen gehoor vindt bij leidinggevenden objectief, serieus en voortvarend oppakt. Hiermee is niet alleen het personeel, maar uiteindelijk ook de gehele defensieorganisatie gediend.

M. van den Doel was lid van de Tweede Kamer en defensiewoordvoerder voor de VVD (1994-2003) en kolonel b.d van de Koninklijke Landmacht.